Het kind zit pas net!

img_0243Op de vrijdagochtend fietsen we, het samengestelde gezin, over de Zomerkade. Daar staat, zoals u gisteren heeft kunnen lezen, de markt.We wurmen ons, samen met de overige ouders met kinderen uit onze straat, tussen de marktkramen door totdat het ongeremde autoverkeer op de Nachtzaamstraat ons ophoudt. Als Mies mee is groet ze alle marktkooplui die hun waar uitpakken en in de etalage plaatsen. De een reageert enthousiaster dan de ander. De ene week reageert de een enthousiast, de andere week de ander. De Volendamse visboer reageert meestal wel vrolijk. Hij weet dat we een halve dag met onze fiets aan de hand terugkomen om een pond kibbeling te kopen. Wat hij niet weet is, dat we ook terugkomen als hij ‘s ochtends minder vrolijk groet. De kwaliteit van de kibbeling is van hoog niveau. Bovendien staat hij op een strategisch punt. Een geweldige plek om de markt en het gebeuren rondom te observeren.

Vandaag staat er een man met zijn scootmobiel. Een zestiger met rode konen, ongewassen grijze manen en scheve, azuurblauw gekleurde ogen.  Hij zit er op zijn gemak, alsof hij in de kroeg aan de bar hangt. Hij straalt een bepaalde gemoedelijkheid uit, als u begrijpt wat ik bedoel. De Volendammer baas achter de toonbank reikt hem een flink gezouten haring aan. “Wat krijg je van me?” Vraagt de klant. “Zes euro vijftig”, liegt de eigenaar. De smulpaap heeft inmiddels een pond kibbeling en  een lekkerbek achter de kiezen. “Ahjoh, ik geef je er acht om van het gezeik af te zijn.”, reageert de vaste klant. De man zit vastgeklonken in zijn kar en is op zoek naar zijn portemonnee. Ik kijk om me heen. De kinderen, waar ik de bestelling voor heb geplaatst, zijn inmiddels verdwenen. Naast me staat een Peruaan met zijn koopwaar. In felle kleuren gebreide poeven, onderzetters en handwarmers. Hij lult wat met de man naast hem. Een koopman met schaars zwart haar dat in verdwaalde plukken over zijn verbolgen schedel geplakt is, gespecialiseerd in Turks brood met knoflooksaus, reageert. Ik kan hem niet verstaan. Een collegamarktkoopman die naar zijn auto verderop loopt om wat koopwaar op te halen zegt: “Let niet op hen. Ze spreken toch nooit de waarheid!”, hij kijkt me knipogend aan. Ik knipoog plichtmatig terug en neem de bestelling in ontvangst. Als ik de broodbakkerskar ben gepasseerd stap ik weer op de fiets. Snel naar huis. Anders wordt de kibbeling koud.

 

 

Posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Draadjesvlees op donderdag

img_0118Woensdagochtend half acht. Een uur voordat de fietsers elkaar  in de ochtendspits naar het leven staan komt de stad tot leven. Onder andere op het Haarlemmerplein. De houten skeletten van marktkramen ontwaken uit hun opgestapelde staat zoals het vergeten voorjaarsgoed in een verwaarloosd grasperk tussen twee snelwegen. Je hoeft je maar even om te draaien en het is er! Het leven. En dat verbaast je, paradoxaal gezien, steeds meer naarmate je ouder wordt.

De markt. Ik fiets er graag voorbij. Ik blijf er graag even stil staan. Op vrijdag als ik over de kaai fiets, als ik de kinderen naar school breng of weer afhaal. Als ik de markt zie, ruik ik het weekend. Woensdag is voor mij de dag dat ik over de helft ben. Vrijdag is de eerste dag van het einde van de week.

Hoe anders is een donderdag. Ik weet niet wie deze dag heeft bedacht. Ik was het in ieder geval niet. Donderdag is een dag voor doorzetters. Er is -voor zover mij bekend- nergens markt. De meeste mensen die ik ken moeten de dag erna nog werken. Er is dus geen sprake van gedeelde vreugde. Het verkeer jaagt over de provinciale wegen en de A1 tot de A- zoveel alsof het einde nabij is. Aangezien dat voor mij niet het geval is fiets ik extra behoedzaam over de kruispunten en de parallelweggetjes. Getuige dit blog heb ik het vandaag ook weer gered.

Donderdag? Een overleg zonder begin of eind. Maar ik probeer iedere dag iets nieuws. Ik heb ze allemaal gegroet, de mensen die ik niet ken. En volgens mij vonden ze het nog leuk ook.

Mijn hoofd zit vol met gedachten als ik de fietshellingbaan van het pand waar ik kantoor houd bedwing. Ik verlaat via het Oost- poortstation de stadsdeelgrens richting centrum. Een bejaarde  gesluierde mevrouw in een scootmobiel draait haar vervoersmiddel vlug aan de kant als ze mijn ingesmeerde kettingen en getergde adem hoort. Een onsympathiek ogende man op een nauwelijks opgeladen elektrische fiets volgt haar voorbeeld. Ik rijd langs Artis. Langs de Roeter, het Weesperplein, het Weteringcircuit. Onderdoor Rijksmuseum, direct naar rechts en  flux naar links de Paulus Potterstraat, Willemsparkweg en de Koninginneweg door richting Zeilweg en Zeilbrug.  En vervolgens snel weg door al die rechte lange wegen (Pieter Calandlaan) die naar de stadsgrens leiden. Afgelopen week is er nog een jongeling om zeep gebracht. Een gebeurtenis  waar heel crimescene-minnend Nederland over heeft geschreven. Een walgelijke aangelegenheid.

Ik fiets verder. Badhoevedorp dorp. Een stoplicht staat eeuwig op rood. Een meisje en een jongen, vermoedelijk haar vriend,  op een scooter voor me rijden, na lang twijfelen, door. Ik fiets ze achterna als het licht eindelijk op groen staat. Het avontuur en ik zijn elk in een ander gesternte geboren.

Wat volgt is de Haarlemmermeer. Nicolaas Beets heeft er nog geestdriftig over geschreven, even voor de demping. Het was ooit een meer en vervolgens is het gedempt. Nu staat het bekend als het vlakke land. Ik fiets en zie plots vliegtuig na vliegtuig aan de horizon. Een drietal schijnwerpers naast elkaar landt langs de -in tegengestelde richting- gedempte landingsbaanlichten. Als ik op de trappers sta vraag ik me af  wie en wat hier landt. Zijn het de hemelbestormers? De zakenlui? De gelukszoekers? En, zoja, hoeveel zijn het er? De hemelbestormers leer ik ongetwijfeld kennen. De gelukszoeker idem dito. Maar de zakenlui? Dat volk laat ik het liefst links liggen. Ik fiets snel verder. Drie kilometer verderop ligt de supermarkt.

 

Posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

De wil tot destructie en de wereld als kweekvijver van het onmogelijke

img_0115Minder opmerkzame mensen hebben me, n.a.v. berichten op dit nepforum, genaamd Facebook, gemeld dat het slecht met mij gaat. En dat geeft niet. Want een wereld zonder minder opmerkzame mensen is ook geen reet aan. En ik laaf me aan het kampvuur van hun zorgzaamheid. Ik wentel me in hun aandacht. Ik accepteer dagelijks een stuk of tien vriendschapsverzoeken van mensen die ik nog niet ken. Sommigen zijn amper meerderjarig en dragen slechts een bikini of nog minder aan het fraai gevormde lijf. Het zal wel ergens goed voor zijn. Ik geloof dat FB een vriendschapslimiet stelt bij 5000. Een virtuele muur tussen net haalbaar en onmogelijk. Wat mij betreft gaat Zuckerberg sowieso te ver en is elke grens onacceptabel. Potentiële vrienden zou ik in het dagelijkse leven niet eens aan durven kijken. Minder opmerkzame mensen zouden hierin het bewijs kunnen zien dat ik last heb van faalangst.

De laatste nieuwjaarsreceptie van Haarlem vindt traditioneel plaats in de Pletterij. Cultureel centrum, vrijplaats, podium voor debat en improvisatie. U kent het wel. Een geweldige plek voor alles wat nog niet is ingekaderd. Het warme nest voor de kanslozen en -armen, de verworpen elite, de  hemelbestormers, de dromers, de om- en dwarsdenkers, vrijstaat van de kwetsbare ziel. Sjaal en zijn Zil en Bo zijn er ook.

We zijn er stipt om 16:00 uur. Dat tijdstip stond immers op de uitnodiging. Bo houdt de tijd goed in de gaten en zorgt ervoor dat we geen minuut te laat aan de hoofdingang aan de Vest arriveren. Collega’s van de PR-afdeling staan aan de deur met consumptiemuntjes. “Sjaal, ben je er nu al?” zegt een van hen. Ik knik en kijk snel naar beneden (zoals te doen gebruikelijk). De kinderen nemen het voor me op en geven de twee dames een hand en ze stellen zich netjes voor. Ik krijg twee muntjes, de kinderen elk een. We lopen de vrijwel lege zaal in. Een donkere bar, een  stemmig verlichte ruimte met een schaars verlicht podium, aan de rechterzijde een kwetsbaar schemerlampje, een fel gekleurd spreekgestoelte in het midden, en een afgeragde  piano aan de linkerkant. Ik heb een entre-nous met de directeur, de technicien en de man achter de bar. De kinderen lopen doelloos rond. Zij komen voornamelijk voor de burgemeester. Hij zal even later de openingstoespraak houden.

De zaal stroomt vol. Ik maak kennis met geïnteresseerden, vrijwilligers en gelukzoekers. Mensen drukken mij de hand (waarschijnlijk omdat ik, formeel gekleed in blazer, dicht bij de ingang sta) en wensen mij het beste. Ik wens ze van hetzelfde. Ook Jaap Pop, de oud-burgemeester komt langs. Als hij ons is gepasseerd fluister ik de kinderen toe dat de kop op de klok boven het millenniummonument naast het oude V&D gebouw van hem is. Een icoon. De kinderen knikken instemmend en als de directeur me vraagt om enkele folders uit te delen voor het concert van aanstaande zondag grist Zil ze uit mijn hand. Ze sprint regelrecht op de oud-burgemeester af en drukt hem  een exemplaar toe. Die is binnen! Ook de andere folders gaan grif van de hand. Ik sta als een sul aan de kant en kijk toe hoe de kinderen het aan mij toebedeelde werk doen.  Een bruin jongetje met donkere ongekamde krullen, genaamd Miguel, loopt met de kinderen mee. Hij daagt ze uit en treitert ze naar tevredenheid van zijn slachtoffers. Een receptie moet voor alle bezoekers interessant blijven.

De huidige burgemeester komt binnen als de sprekers, de directeur en de voorzitter,  net zijn uitgeluld. Een man met strak wit overhemd over de volle pens en een stijlvol zwart jasje aan, een kogelrond montuur op de nieuwsgierige neus, betreedt het podium. Een man met een missie. Dat kunnen we zo wel zien. In enkele minuten bewijst de burgervader zijn bestaansrecht met een nietszeggende rede. Ik benijd de kinderen, die op het podium zitten, niet. Na zijn toespraak is het publiek alweer met andere zaken bezig. Ik praat met een mevrouw van 83 over haar pleinvrees. In mijn ooghoek zie ik dat Zilla een selfie maakt met de burgemeester. Even later doet haar broer hetzelfde. De technicien maakt er een foto van. Ik maak me los van de 83-jarige en vraag de technicien of hij me de foto wil toezenden. Uiteraard wil hij dat.

Ik spreek verlegen met het nieuwe blondharige meisje van de PR-commissie en wordt telkens weer door Bo en Zil tot de orde geroepen. Het is namelijk zes uur geweest en het is tijd om te gaan. Tijd om pannenkoeken te eten. Het meisje citeert enkele recepten. Ik knik haar verontschuldigend toe als ik door Zilla aan de arm naar de garderobe wordt getrokken.  Het is tijd om te gaan. Ik leeg mijn glas, gevuld met de IPA, genaamd “Mooie Nel”. De mensen die ik wil groeten zijn inmiddels elders. We lopen anoniem door de hal en de voordeur en openen onze fietssloten. “Iemand nog ijs?” roep ik, zonder een antwoord af te wachten. Zowel de supermarkt als de verlossing zijn nabij.

 

Posted in Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Sjaal leest door: Canetti

img_0114Even wat anders. Laten we het over boeken hebben.
Dikke boeken met name.
De Gebroeders Karamazov van Dostojevski is een van de weinige kloeke boeken die ik heb uitgelezen. Ik was begin twintig. We waren op Terschelling of Ameland. En ik zag het boek, een aantrekkelijk geprijsde pocketuitgave, in een draaibaar rek en ik heb het gekocht. Ik nam het mee naar bed en las door totdat ik het uit had. Dat kon toen nog. Ik werd niet gehinderd door mail, Facebook, Whatsapp of andere digitale stoorzenders.
Ik heb sinds het uitlezen van dit boek de neiging dikke boeken aan te schaffen. Vuistdikke drukwerken. Hoe meer tekst hoe beter. Behalve De Gebroeders en Anna Karenina heb ik er weinig van uitgelezen. Van sommigen heb ik slechts de eerste pagina’s gelezen. Verzameld werk. Daar ben ik ook tuk op. Kafka, Bomans, Reve, Elsschot, Vestdijk, Couperus. Het liefst in dundruk. En vanaf het moment dat ik de kringloopzaak heb ontdekt is het aantal aankopen exponentieel toegenomen. En dan is er nog het Waterlooplein, waar ik vanwege mijn weifelachtigheid de complete briefwisseling (in dundruk) tussen Du Perron en Ter Braak, het voorlopig verzameld werk van Hofland en een twintigtal jaargangen van prominente jazztijdschriften aan mijn neus voorbij heb zien gaan.
Maar ondanks genoemde tegenslagen is mijn boekenkast nog steeds goed gevuld met ongelezen werk waar ik de aankomende honderd jaar zoet mee zal zijn.
Om te voorkomen dat de meeste letters ongelezen blijven heb ik besloten om een opruiming te houden. Ik pak wekelijks een boek uit de kast en beoordeel of ik er wat aan heb of niet. En ik pak er een willekeurig hoofdstuk uit. Wat me niet bevalt komt in mijn boekwinkeltje terecht, genaamd
“Sjaal in boeken”.

Het eerste werk dat ik hier wens te presenteren is, hoe toepasselijk, Het Martyrium, ook bekend als Die Blendung, van Elias Canetti, in een vertaling van Jacques Hamelink.

Een pocketuitgave. Ambo, uit Baarn. 1985. Een vanwege de donkere kleur amper nog oranje te noemen, met de naam van de uitgever in nog donkerder oranje, gedrukte kaft met de titel in gebroken wit aan de bovenzijde.
Het boek is geschreven in het begin van de jaren dertig en verscheen in 1935 en gaat over een bibliofiel, genaamd Kien.

Om Kien te leren kennen citeer ik u uit het eerste hoofdstuk (zowel in de ik als de hij-vorm): “Hij ging uit wandelen om de lucht van vreemde boeken op te snuiven, ze prikkelden hem tot verzet, ze stimuleerden hem. In de bibliotheek ging alles van een leien dakje.” “Zich te verliezen in gepraat is het grootste gevaar dat een geleerde bedreigt.” “Persoonlijk ging hij met niemand om. Uitnodigingen sloeg hij af. Waar ook maar een leerstoel voor oosterse filologie vacant raakte, bood men hem die allereerst aan hem aan. Hij weigerde met minachtende beleefdheid.”, “Hij kon zich niet herinneren dat zijn geheugen ooit gefaald had.”, “In de Mutstrasse kwam ik iemand tegen die mij vroeg waar hij de Mutstrasse kon vinden. Om hem niet in verlegenheid te brengen, zweeg ik.” , “Kien zwoer bij zichzelf dat hij, zo gauw blindheid hem bedreigde, een eind aan zijn leven zou maken.”, “In zijn bibliotheek zou zelfs een olifant niet bij machte geweest zijn om lawaai uit de vloer te stampen. Daarom hechtte hij grote waarde aan zijn tapijten.”
En deze Kien staat garant voor monologen, dialogen, gestileerde teksten, ondergebracht in (door mij ongelezen) hoofdstukken genaamd “De dood”, “Judas en zijn Heiland”, “De zevende hemel”, “De vervulling”, De goede vader” en “De rode haan”. Wat wil een geoefende lezer nog meer?
“Hij teert op de kleine triomfen van het ogenblik. Dat is nou de beroemde man, die door de wereld zo bewonderd wordt.” (Uit: Een krankzinnigengesticht).
Moet ik dit meesterwerk van de hand doen? Nee. Ik zal er enkele avonden voor uit moeten trekken, maar ik ga er mee aan de slag. Dat beloof ik u.

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , , | 3 Comments

Herder

imageEen jaar of wat terug organiseerde studentencafe en -bioscoop Kriterion een Russische avond. Een avond in de sfeer van de tsaren, in het Frans converserende vorsten en hun verveelde, voortdurend in Duitse badplaatsen kurende ega’s. Het door Tolstoj zo treffend beschreven Rusland van 1805 tot 1820. De Oscarwinnende verfilming van Война и мир (Oorlog en vrede) door regisseur Sergej Bondartsjoek stond onverkort op het programma. De in het Russisch verschenen, in het Engels ondertitelde, film uit 1967 duurt 8 uur en 5 minuten. Er zouden verschillende pauzes worden ingelast waarin aan lange boerentafels Borsjtsj met Smetana, Huzarensalade, Kasja en Zakoeski gegeten en Medovoecha, Smirnoff en Stolichnaya gedronken kon worden. Een studiegenote en ik gingen erheen. Ondanks de pauzes was het een lange zit. Naarmate de avond vorderde vielen er, onder invloed van de wodka, of het trage verloop van de film steeds meer bezoekers in slaap. Na de laatste pauze, even voor middernacht, was de zaal nog maar voor een kwart gevuld. Ook mijn studiegenote was met stille trom vertrokken. Ik weet nog steeds niet of ik zelf in slaap gevallen ben. Maar enkele scènes staan me nog helder voor de geest. De slagvelden, de brand van Moskou, de vernietigende terugtocht van het Franse leger door het barre Russische landschap (bij een temperatuur van -30 en lager), en een conversatie tussen de twee hoofdpersonen, Pierre en Prins Andrej Nikolayevich Bolkonsky dat als volgt begint: “Geloof jij in een leven na dit leven?” en ergens middenin stelt Pierre, het geweten van Tolstoj: ” Ik weet dat er naast, buiten en boven mij, nog geesten leven en dat in die wereld de waarheid troont!” , “Ja, dat is de leer van Herder”, riposteert de prins. Ik ben meteen wakker. Herder. Een filosoof met zo’n magische naam moet de mensheid wel iets te vertellen hebben. Iets soortgelijks heb ik gedacht over Hegel, Schelling, Fichte en Schopenhauer.

Johann Gottfried von Herder. Auteur van “Ideen zur Philosophie der Geschichte der Menschheit.”. Ik heb het werk nooit gelezen. Ik voerde mijn eigen strijd. Maar af en toe komt de naam weer voorbij.

Jaren na het zien van de bioscoopfilm kocht ik een DVD-set van de twintigdelige BBC TV-serie uit 1972. In de hoofdrol Anthony Hopkins als Pierre Bezukhov. Een cadeautje aan mezelf. Daags na het doen van de aankoop zou ik aan bed zijn gekluisterd vanwege een sterilisatie.

Een uur na de ingreep stapte ik omzichtig in mijn bed nadat ik het eerste schijfje in de speler had geplaatst met het voornemen pas uit bed te stappen als de DVD met de eerste vijf afleveringen zou moeten worden vervangen voor de tweede, met de afleveringen nummer 6 tot en met 10. Ik moest even wennen aan de in het Engels gevoerde dialogen en monologen, de aankleding, de spelers, maar na een tijdje zat ik er helemaal in. Ik keek de serie niet in een keer af. Ik had alle tijd en ik had meer te doen dan tv kijken. Het leeswerk kreeg nu voorrang.

Door een ontsteking en de daarmee gepaard gaande koorts was ik langer dan voorzien aan bed gekluisterd. Ik greep een DVD met 5 afleveringen uit het doosje en legde mijn pijnlijke lijf moeizaam neer op het matras. Drie kussens onder mijn schouders, nek en hoofd, een boterhamzakje gevuld met ijsklonten onder mijn helende balzak. Een methodisch acterende Hopkins, gestileerde dialogen, ingestudeerd drama. Ik verheugde me op de filosofische verhandeling. Herder. Maar deze kwam niet. Op het moment dat ik de geketende Pierre samen met de afdruipende Franse troepen door de bossen zag ronddolen wist ik het. Geen Herder hier. Want wie kent deze filosoof nu eigenlijk? In 1972 was de aan de filosoof gekoppelde dialoog over de sterfelijkheid blijkbaar niet interessant genoeg voor de Britse TV. En ja, een werk van twaalfhonderdnogwat pagina’s nodigt uit tot selecteren.

Maakt verder niet uit.  Ik moet maar eerst wat van de goede man gaan lezen. Misschien valt het tegen.

Posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , | Leave a comment

Het twaalfde uur

img_0058Oudejaarsdag. Het is 17.17 en de hulp- en dienstverleners draaien overuren. Ik hoor om de haverklap sirenes en het alarmerende geluid van klap – en knetterwerk. Het is inmiddels pikdonker (welke idioot heeft ons wijsgemaakt dat de avond om 18.00 uur begint?) en ik weiger het licht aan te doen in de kamer. Alle kinderen zijn het huis uit en Mies en ik zijn alleen thuis. Er valt wat ons betreft niets te vieren vanavond. Een dag als alle anderen, maar dan zonder kinderen. De katten zijn in geen velden of wegen te bekennen. Misja ligt al ruim een uur op de bank te slapen. Ze heeft me gevraagd haar om vijf uur wakker te maken, aangezien ze nog een boodschap wilde halen, maar om 17.10 draaide ze haar rug knorrig naar me toe toen ik haar met een zacht duwtje probeerde te wekken. Ik heb haar maar zo laten liggen. Mies is klaar met dit jaar. En wie niet? En hoe het nieuwe jaar verloopt zien we wel weer. Naast me ligt een zojuist aangeschafte klassieker, Het Lijden van de jonge Werther van JW Goethe, vertaald door Therese Cornips, met een nawoord door Gerrit Komrij. Het verhaal past bij mijn stemming.

Gisteren nog naar Amsterdam Noord afgereisd voor een interview met de improvisatiekolos, de Amerikaanse drummer Michael Vatcher. Een jazzheld, hoewel hij zelf niet blij is met dit predicaat. Een prettig gesprek op een mooie plek. We zitten op twee, aan een tafel van 1 bij 1 meter, opgestelde  stoelen in de keuken. De melk pruttelt op het gasfornuis. Zoonlief oefent schaak in de belendende woonkamer, terwijl zijn moeder gebogen zit over haar proefschrift. We praten twee uur lang over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals de muziek van Captain Beefheart, Miles Davis en Misha Mengelberg, de nieuwe president van zijn geboorteland, drank, drugs, pooiers en de holocaust.

Het jaar telde nog veel meer interviews en gesprekken, reisjes en blije momenten , maar ook minder aangename momenten en ergernissen. Met gemengde gevoelens kijken we terug naar onze deelname aan het televisieprogramma “Help, ik kan niet stoppen met shoppen” op RTL 5. Mies zat aan tafel bij Humberto Tan en werd geïnterviewd door de journalisten van de VPRO-gids en de Margriet. Ik stopte na de confrontatie met mijn vadsige lijf op de beeldbuis van schrik met eten en raakte twintig kilo kwijt.

Misja wordt wakker van mijn luide getik. Het is inmiddels zes uur geweest. “Wil je eten?” vraag ik haar, “ik heb pasta bolognese met groenten en kaas.” Misja kijkt me vermoeid aan en schudt nee. “Beetje grieperig”, mompelt ze en ze legt haar zware hoofd terug op het kussen. Ze heeft vanavond genoeg aan de appelbeignets, de XXL-zak naturel chips en een zakje blokjes jong-belegen kaas.

“Alles is zo stil om me heen, en er heerst zo’n rust in mij. Ik dank u, God, dat u aan deze laatste ogenblikken deze warmte, die kracht geeft.” lees ik in het slothoofdstuk van Het Lijden. Ja, het is rustig. Ik heb al een tijd geen sirenes meer gehoord en het geknal lijkt vooralsnog aan onze straat voorbij te gaan. Op de bank klinkt gesnurk. De katten zijn nog steeds verstopt. “Het slaat twaalf uur! Zo zij het dan!”. We zijn inmiddels een jaar verder, maar we leven nog steeds met de waan van de dag.

Posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , | Leave a comment

The night the WiFi burnt down

imageTweede kerstdag is een dag om snel te vergeten. Misja en ik gaan ieder ons weegs. Ik vertrek met mijn kinderen naar Noord-Brabant en mijn heldin blijft in Haarlem met haar kroost. We nemen overdreven lang afscheid. Ik loop met mijn dochters naar de supermarkt om een tas met levensmiddelen te vullen. In Haarlem zijn met kerst alle supermarkten geopend, maar dat is in Noord-Brabant niet gegarandeerd. We lopen met de zware boodschappentas, twee rolkoffers, twee plastic tassen en een rugzak naar de bushalte aan de Byzantiumstraat, een kilometer verderop. Na tien minuten arriveert bus 73. Er zit een aardige buschauffeusse achter het stuur, die ons met verbaasde blik nakijkt als we de bus slechts twee haltes later weer verlaten (met onze rolkoffers, rugzak en plastic tassen). Vandaar lopen we de Europaweg over naar de halte Schipholweg alwaar, volgens het aankondigingsbord, twaalf minuten later bus 346 zal verschijnen om ons naar Amsterdam-Zuid te brengen. Een verdwaasde vrouw van onbestemde leeftijd, grijs en fultloos haar, een door rimpels ontzield gezicht, maar in het bezit van een paar krachtige bovenbenen, waar een twintiger “u” tegen zegt, kijkt ons aan alsof we een kaartje naar de hel hebben gekocht. Even verderop zit een meisje van een jaar of twintig op een bankje. Ook zij is in het bezit van een paar krachtige benen (jawel, het is tweede kerstdag, de dag van familievisite in stemmige korte jurkjes en zwarte panties), maar haar gezicht krijg ik niet te zien. Nog even verderop zie ik een stel over de stoep schuifelen. Een roodharig wijf met een bejaarde man aan haar hand die zowel haar echtgenoot als haar vader zou kunnen zijn komen nog op tijd om de bus te halen. Een kromme Aziaat met een grijs snorretje en een uitgebluste blik loopt achter het oude stel aan als de bus arriveert.

De deur van de rode RET- lijn wordt geopend. Een Surinaamse buschauffeur met gefatsoeneerd rastahaar, die ons de indruk geeft dat hij deze dienst al voor de duizendste keer draait, groet ons nadat we onze kaarten langs de chippaal hebben gestreken. “U kent de weg!” zegt hij en achteraf bezien heeft hij in ons zijn meerdere (h)erkend.
We gaan zitten op de ons bekende driepersoonsplek net na het midden, ter linkerzijde van de bus, bestaande uit twee stoelen in de rijrichting en een haaks erop. Het meisje zonder gezicht gaat op de bank voor ons zitten. De roodgeverfde vrouw met haar bejaarde medepassagier neemt plaats op de bank ter rechterzijde, net voor de inham bestemd voor mindervaliden en kinderwagens. De Aziaat gaat op het bankje naast ons zitten. De verdwaasde vrouw zie ik nergens. Ze heeft waarschijnlijk geweigerd de bus in te stappen.
Even later rijden we door de polder. Richting station. Richting Zuid.
Zuid duurt even. Zuid duurt lang. We rijden ergens tussen de weilanden in de buurt van Boesingheliede en Badhoevedorp als de buschauffeur ons -onversterkt- meldt dat hij verkeerd gereden is. “Een klein omweggetje, maar het komt goed.” De rode antwoordt: “kan gebeuren, we hebben de tijd”. De bus draait rechtsom en vervolgens naar links en voordat we het weten rijden we weer terug naar Haarlem. Nog even later rijden we noordwaarts en even verder zien we de Ikea en de PTT-toren weer aan onze linkerhand. Een half uur eerder waren we hier ook al. “Dit gaat weer niet goed jongens.” fluister ik naar de kinderen, en alsof de chauffeur het gehoord heeft roept hij, wederom onversterkt, de bus in dat hij nogmaals verkeerd gereden is, maar dat hij nu werkelijk de goede kant uit zal rijden. We rijden het Westelijk havengebied in. Op de valreep mijdt de chauffeur de afslag naar Zaandam. We hadden vijf minuten geleden al in Zuid moeten zijn. “Checkt u allemaal maar uit mensen.” gebiedt de man die zijn diploma, naar mijn mening, iets te snel heeft verkregen. “Ja, en wilt u nu dat we er hier uitstappen en het zelf allemaal maar uit gaan zoeken? Onze broer ligt in het VU-MC op sterven en u maakt er hier een show van?” roept het roodgeverfde monster voor iedereen hoorbaar, behalve voor de chauffeur. Hij is oost-Indisch doof. Hij praat door een mobiele telefoon en laat zich leiden door een ervaren collega achter de schermen.
De Aziaat naast ons knippert vele malen met zijn ogen vanwege het felle zonlicht dat overdonderend de bus in schijnt. Ook hij weet nu dat het verkeerd zit. Wonder boven wonder komen we een kwartier later alsnog op de Amstelveenseweg aan. De rode gaat, een halte te vroeg, al vloekend met haar broer de bus uit. Ook het meisje en de Aziaat verlaten de bus. De chauffeur roept aldoor (nog steeds onversterkt) “sorry!” als een passagier mopperend de bus verlaat. Wij hebben nog een halte of drie te gaan. Het tafereel van de mopperend verlatende passagiers en de sorry-zeggende chauffeur herhaalt zich twee keer en dan is de bus bijna leeg. Even voor station Zuid laat de chauffeur ons eruit, “Het mag officieel niet, maar het is handiger voor jullie. Anders moet je zover lopen.” “Maakt niet uit”, roep ik trillend en ik grijp mijn kinderen onder hun armen deze horrorbus uit.

Enkele onbekommerde reismomenten komen we drie uur later aan bij het huisje waar we drie nachten mogen logeren (wordt vervolgd).

Posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , | Leave a comment