Daar waar het zitvlees het zadel raakt

img_0083Het jaar kruipt gewetenloos naar het einde en trekt me aan de haren over de streep voor mijn laatste werkdag. Met een slaapdronken hoofd stap ik struikelend over de stofzuigerslang, boekenverzameling, ongewassen sokken en dameslaarsjes richting douche. Binnen dertig seconden ben ik klaar. Haren wassen met shampoo doe ik al weken niet meer. Daar word je alleen maar kaal van. Ik droog me achteloos af en werk mijn nog natte stugge lijf met grote moeite in het strakke thermo-ondergoed, poets te kort mijn tanden en ren geruisloos de trap af. Ik drink een kop Senseo- koffie en check op mijn ipad mijn mail. Geen internet. Dan maar niet. De kat kijkt me smekend aan. Ik zet een bakje eten voor hem klaar, “eten kreng”, mompel ik, terwijl de rode rotzak (we noemen hem Trump) al smakkend de dure pate naar binnen werkt. Een mens is niet zelden verantwoordelijk voor zijn eigen ellende. Ik leeg mijn kop koffie met een snelle slok en kijk naar de verwaarloosde kerstboom in de kamer. De batterijen van het slordig geplaatste lichtjeslint zijn vrijwel leeg. De kinderen hebben achteloos wat ballen in de boom gegooid. We zijn de slingers vergeten en ik heb de boom scheef neergezet. “Volgend jaar moeten we het toch maar anders regelen” denk ik bij mezelf, terwijl ik duizelig de tuin in wandel om mijn fiets te pakken. De achterbuurman, een hoogbejaarde weduwnaar die maar niet dood wil gaan hoest, hoorbaar vanuit zijn geopende slaapkamer, zijn longen uit zijn lijf.

Voor de zoveelste keer deze week fiets ik met wind tegen in kille regen van hoofdstad naar hoofdstad. Ik zing en fluit een eenzaam lied dat al snel verstomt nadat het mijn lippen heeft verlaten. De grijze wolk die over het troosteloze laagland hangt lijkt elke vorm van enthousiasme in de kiem te smoren. Het is donderdag. Geen markt op het Haarlemmerplein dus. En waarschijnlijk geen agenten aldaar om fietsers zonder licht te bekeuren. Dat hebben ze namelijk een dag eerder al gedaan. Marktkooplui en agenten zijn uit hetzelfde hout gesneden. Ze verkopen je alleen maar praatjes waar je geen behoefte aan hebt. Op donderdag heb je daar rondom het Haarlemmerplein geen last van.

Een paar uur later neem ik afscheid van mijn collega’s. Ze balen ervan dat ik ze voor ben en wensen me met een zure bek “het beste”. “En fijne kerstdagen!” zegt er eentje fel. “Ja, fijne KERST-dagen” antwoord ik geschrokken. “Ja, sorry hoor” reageert ze, “maar iedereen heeft het tegenwoordig over feestdagen, omdat kerst niet meer mag, maar voor mij is het gewoon kerst hoor! Net als dat zwarte piet zwarte piet is, wat zullen we nou beleven?” Ik steek welgemeend mijn duim omhoog en weet dat het tijd is om te gaan. Een discussie over dit thema komt ongemerkt in de boeken en dat is wat mij betreft prima, zolang ik de pen maar mag hanteren. Een dozijn vermoeide ogen kijkt me aan en wenst me het beste. Ik kijk even lusteloos terug en wens ze hetzelfde. Plotseling dringt het jaar zich in alle stugheid aan me op. Ik wankel richting lift en loop drie verdiepingen lager zwalkend naar mijn fiets. Wat kan een mens toch moe zijn aan het einde van een jaar. “En nu kop erbij sjaal!” zeg ik tegen mezelf en ik haal met bevende vingers mijn fiets van het slot. Mijn hart slaat overuren. Ik zweet en ik kijk om me heen. Geen getuigen.

Een onmogelijke stad en een aantal benauwde minuten verder arriveer ik in Haarlem. Ik parkeer mijn intercityfiets in de tuin, kleed me om, neem een glas water en pak de stadsfiets aan de voorgevel. Ik stap met mijn nette lange jas op mijn fiets met een keurig lampje aan de voor – en achterzijde, gesmeerde ketting en uitstekend afgestelde trommelremmen. Ik ben klaar voor het kerstfeest van de kinderen.

Op het schoolplein groet ik een enkele oude bekende. De meeste, mij bekende ouders zijn, net als hun kroost, definitief van het basisschoolplein verdwenen. Mies is er, ouder van de twee jongste kinderen van ons samengestelde gezin. Ik kus haar langdurig. Geen getuigen. Iedereen staat in de rij voor de gluhwein. Ik neem snel enkele stukken groentesoufle, met sojabrokken gevulde eieren en veganistische kaasflapjes. Ik doe me, zodra de rij tot acceptabele proporties is geslonken, tegoed aan een glaasje gluhwein en loop hand aan hand met Mies de school binnen. Ik ben nog steeds duizelig. De kinderen lopen me welhaast omver. Ouders stoten met hun goegevulde¬†rugzak tegen me aan. Ik bewaar met moeite mijn evenwicht. Ik help even verder in het klaslokaal mee met opruimen. Rijen kerstverlichting moeten worden verplaatst van plafond naar kist. Een klus die ik nog wel aan kan. Ik neem plaats op een tafel en til de systeemplafonds op om de tussen aluminium en kunststof geklemde strengen verlichting los te trekken. Als de lampjes uiteindelijk veilig op de kinderbureautjes liggen, trek ik de stekker uit het stopcontact. Na de derde uitgedoofde streng knipt meester John het grote licht aan. “Zo, en dat was het dan!” roept hij voorzichtig en hij kijkt als een kind dat onder ouderlijke dwang zijn vriendjes moet vertellen dat hij met zijn huiswerk verder moet. “Zelfde effect als wanneer de kroeg waar je het zo gezellig had gaat sluiten.” mompelt hij in de richting van de volwassenen. We weten hoe laat het is. Mies en ik pakken onze spullen en nemen de oververmoeide, maar overactieve, kinderen mee onder onze armen.
En dan moet u weten dat dit jaar nog negen van deze loodzware dagen telt!

 

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk and tagged , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s