De dag na de dag ervoor

  • img_0049Maandagavond, kort na 23.30 uur. Als ik in mijn appartement ben teruggekomen, ontvang ik enkele Facebookberichten. Een ervan is van Alessandro. Hij stelt voor om elkaar om 9.00 uur in de ochtend te treffen in de nabijheid van het Anker Apartment. De Italiaanse jazzpianist moet zich om 12.00 uur bij het politiebureau van Oslo melden om zijn visum te verlengen. Ik reageer en stel hem voor een uur later af te spreken. Als ik even niets via messenger verneem doe ik een ander voorstel en maak er 9.30 van. Maar dan wel in de loge van het hotel waar ik verblijf. Ik heb immers betaald tot 11.00 uur. Kort daarop ontvang ik enkele berichtjes. Het begint met: “goed”, “bij jou ok!” en vervolgens stelt de Italiaan voor om af te spreken in een koffiehuis nabij het appartement. Ik kijk op Google Maps en zie dat de voorgestelde locatie zich op vijf minuten lopen van het hotel bevindt. Ik ga in op het voorstel. Ik weet dat ik al om 7.00 uur wakker zal zijn en een paar uur niksen in een hotel is ook niet fijn. Ik reageer op de andere berichtjes en ga slapen in mijn kale kamer.Na een droomloze nacht word ik op bovengenoemde tijd wakker, ik neem een douche, eet twee pannenkoekjes polarbrood met een plakje kaas er tussen, pak mijn spullen en om 9.15 verlaat ik de kamer. Ik gooi mijn linnengoed en handdoeken in de daartoe bestemde kooikar, werp de sleutelkaart door de gleuf van het doosje op de balie en bestel nog snel een zwarte koffie. Ik neem de kartonnen beker mee naar buiten. Het heeft de hele nacht gesneeuwd, maar er is slechts een dun laagje sneeuw zichtbaar op de stugge vloer van ijs op de stoep. Ik schuifel heuvelafwaarts langs de overdekte schaatsbaan, het voetbalveld en het parkje en de tramhaltes naar de plek waar het koffiehuis zich bevindt. Een kruising.

 

Op een hoek zie ik het koffiehuis, op de andere hoeken het café Noah, het park en een woonblok. Aanvankelijk blijf ik staan voor het koffiehuis, maar als ik zie dat een kille Noor achter het raam van het koffiehuis mij aanstaart loop ik een andere kant op. De Noor volgt mij onophoudelijk. Ik wandel naar het park en neem enkele foto’s van de straat en de kerk verderop. De man achter het raam volgt mij nog steeds. Ik steek de straat weer over en post voor het raam, precies voor de volger. Het is koud, maar ik weiger om naar binnen te gaan. De koffiedrinkende Noor rekent af en vertrekt. Ik blijf voor de zaak staan. Twee minuten later zie ik rechts van me, heuvelafwaarts, Alex mijn kant op komen. Hij zwaait. Ik ben blij hem te zien. Ik wil hem de hand schudden, maar voordat ik het weet legt hij zijn arm om me heen en drukt hij me tegen zich aan. We lopen het koffiehuis in. De vrouw achter de toonbank neemt de bestelling op. Als ik Alex laat weten dat ik wil betalen maakt hij me dwingend duidelijk dat de rekening voor hem is. “Je bent in Oslo, je bent mijn gast!”. In Leiden ging het net zo.

Alessandro bestelt een cappuccino voor hemzelf en ik kies een gekruide zwarte koffie. We nemen onze kopjes mee naar een tafel aan een raam met zicht op een saaie zijstraat. Alex gunt mij een stoeltje met zicht op de straat. Hij gaat tegenover me zitten. We praten na over het concert van Misha, zijn leraar. Een topconcert. Een eenmalige uitvoering. Evelina Petrova (de muze), het Moscow Art Trio, het koor, de studenten. Hij vertelt hoe hij en Misha samen aan een fjord zaten en over mij spraken. Ik vertel hoe Misha en ik per Skype over Alessandro spraken. We praten over de huidige gesteldheid van de meester. Misha is moe. Een gesprek weigert hij zelden. Behalve nu, met mij. Alessandro spreekt over zijn nieuwe projecten en zijn haat-liefdeverhouding met het koude Oslo en Noorwegen. Na drie kwartier laat hij me weten dat het tijd is om te gaan. Er moet een visum verlengd worden en Alex heeft nog geen fotokopie van zijn paspoort kunnen maken. Fotokopieermachines zijn in Oslo lastig te vinden. Ik bied mijn Italiaanse vriend aan om een stukje mee te lopen. Hij kijkt me dankbaar aan. Het is blijkbaar een lastige klus. We nemen een gratis glas water bij vertrek. Als we buiten staan kijkt Alessandro op zijn smartphone. We lopen richting centrum. We praten. Het voelt voor mij nu minder als een interview, maar als een prettig gesprek met een vriend. Natuurlijk is hij blij als hij weer terug is in het zuiden. Het Scandinavische klimaat trekt hem niet. De Noren zijn stil, maar sympathiek. Prettig stil. De Stilte. Je moet er toch niet aan denken de hele dag naar die rumoerige Amerikanen te moeten luisteren. In Amerika vult men de leegtes met muziek, hier in Noorwegen vult men de leegtes met stilte. Ik vertel hem over landgenoot en slagwerker Joost Lijbaart, die ook erg gecharmeerd is van de stilte in Noorwegen.

  • img_0050Alex en ik lopen door de kille straten van Oslo op zoek naar een fotokopieerapparaat. Een mission impossible. Ik vertel Alex dat er in Nederland in iedere supermarkt een fotokopieerapparaat staat. Hij kijkt me met grote ogen aan. Een kopieerapparaat tref je in Oslo alleen bij toonaangevende instituten, zoals een universiteit of een conservatorium. We lopen langs een vestiging van het leger des heils. De mannelijke klanten zien er weldoorvoed uit. Als we de straat uitgelopen zijn kijkt Alex wederom naar zijn haperende smartphone. “Wat vind je er nu werkelijk van om hier te zijn?” vraag ik hem op de man af. “Ik weet het niet, het is een soort katharsis. Ik ben hier. Ik heb het koud, maar de mensen zijn eerlijk en relaxed. Weet dat ik inmiddels nadenk over een vakantie aan het einde van het najaar in het zuiden. Portugal, Spanje, het maakt me niet zoveel uit, als het er maar warm is.”, “Ik zou het hier nog geen week uithouden Alex.” antwoord ik hem rillend en naar waarheid. We lopen even verder en Alex heeft door dat ik nog maar een kwart dag te besteden heb. ” Het heeft geen zin om met me mee te lopen.” zegt hij en hij verwijst me naar het Munchmuseum. “Ik hoor het wel….en waarschuw me als je ergens in een park dreigt te bevriezen!”, zegt hij en hij steekt me een hand toe die ik niet aanneem. Ik omarm Alex met mijn linkerarm over zijn rechterschouder. Ik loop in de aangewezen richting en wandel even later het museum in waar “De schreeuw” hangt. Ongeïnteresseerd personeel neemt mijn kronen aan. Ik loop een trap af naar de kelder, richting kluisjes om mijn rugzak weg te bergen. Ik neem de trap terug, lever mijn kaartje in en ga door het zwaarbewaakte poortje. De schreeuw. Is dat niet het schilderij dat een tijdje terug met zoutzuur is besprenkeld? Ik loop langs de douanepoortjes en ga langs een grote zaal de tentoonstellingsruimte in. Een schoolklas is met mij. De jasjes, zakjes en stokjes van de kinderen heb ik verderop in een zaal zien hangen. Maar even later zie ik Munch. Ik zie interactie in zijn werk. Niet zomaar interactie, maar emotie. Een arts die zijn kankerpatiënt de dood aanzegt. En even verderop een doodsbed van een Bohemien. En een zaal daarna een indringend rendez vous van twee vrouwen op het strand. Als ik het museum uit wandel weet ik niet eens zeker of ik de Schreeuw nu echt heb gezien.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Uncategorized and tagged , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s