Tantra Toos in gesprek met de seksslavinnen van Milli Görüş

imageHet is vrijdagmiddag. Begin van het weekend. Ik heb een vers bosje bloemen in het azuurblauwglazen vaasje op tafel gezet, een plaat van Emmylou Harris op de draaitafel gelegd en een flesje bier geopend. Ik rook een sigaret. De kinderen zijn nu toch weg. Ik wacht op Mies. Ze heeft waarschijnlijk geen zin in een borrel. Daar heeft ze er gisteravond al voldoende van gehad.

Een vlieg neemt plaats op de margriet. De bloemen hellen over naar de rechterkant. Aan de linkerkant zie ik slechts stelen. Het ziet er best armoedig uit zo. Een kat loopt ongeduldig heen en weer over de tafel. Het beest probeert mijn aandacht te trekken. Hij heeft waarschijnlijk honger. Ik wijs de kat op de vlieg. Hij blijft me aankijken. Aan een vlieg heeft hij geen zin. Niet nu. Ik heb geen zin om het beest verder nog aandacht te geven. Ik jaag de vlieg weg van de bloem en verdiep me verder in de krant. Ik negeer de kat. Als ik een bladzijde van de krant omsla springt de kat van de tafel op de stoel.

Ik leeg het flesje bier. Misja is er nog steeds niet. FBI voorspelt toename van aanslagen zodra IS verslagen is, lees ik in de krant. Ik twijfel niet aan deze voorspelling. Elke bijeenkomst, elke publieke plek zal een potentieel doelwit zijn. De kerk, de kroeg, de manifestatie, de vergadering, de rij voor de kassa in de supermarkt of bakker.  Het is opgehouden met regenen. De zon schijnt door het woonkamerraam naar binnen. Ik dwaal af van mijn thema en vraag me af wat beter is: doodgaan in de zomer of in de winter. De kat springt weer van de stoel terug op tafel. Ik aai de kat over de rechterflank van zijn ranke lijf. Het beest loopt onaangedaan verder richting fruitmand waar de fruitvliegjes een heksensabbat vieren. Het is onbegonnen werk om al die vliegjes te liquideren en dat ziet de kat ook. Misja er nog steeds niet. Dan maar snel een biertje halen bij de kroeg aan de markt.

“Weet je, wat wij willen, willen zij ook. Weet je dat?” Jaap wacht mijn antwoord niet af en fulmineert verder: “Ze hebben natuurlijk ook wel een tikkie gelijk. Ze zijn niet op hun achterhoofd gevallen, al zegt die Wilders van wel, maar die heeft er natuurlijk ook geen verstand van, want hij zit al sinds een jaar of tien achter slot en grendel. Hij kent de wereld van nu niet eens meer, daar komt het in feite op neer. Maar wat zij willen, dat is niet eens zo gek, dat is weeeel- vaaaaart! Maar kijk…” Jaap valt stil en draait een shagje. “Maar kijk, wij willen ook wel eens wat, jij je biertje, ik mijn saffie. Zo simpel is het wel. Wat is dat nou?” Ik zwijg en neem een slok uit mijn flesje. We lopen naar buiten, want binnen roken is niet meer toegestaan. Ook hier niet. “Kijk, als ze me dit afnemen word ik link. Werkelijk waar. Ik was vroeger ook geen lieverdje, maar ik heb altijd netjes mijn best gedaan. Maar als ik die eikelbijters van nu zie. Op straat. Ze nemen simpelweg voorrang. Ze schieten er recht voor op het moment dat je rechts de hoek om slaat. En als je ze terecht wijst dan krijg je een dikke vinger. En ze rossen er op los als het ze niet aan staat. Ik zeg er niks meer van, want dat is het me niet waaaard!” Ik neem mijn pakje sigaretten uit de rechterbinnenzak van mijn colbert. Er zit goddank een aansteker in. Zonder mijn gebruikelijke worsteling met de vlam af te wachten steekt Jaap al weer van wal. “Maar dat zijn de mensen die hier zijn opgegroeid! En die hebben toch een zeker respect voor mij. Dat ik hier mijn ding doe in deze kroeg, dat vinden ze okee. Maar zij!….”, Jaap neemt een hijs van zijn zware jongen, ” Zij kennen dat niet. Dat is voor mij een moment van even tot mezelf komen. Even al die last van me af. Maar, ik weet niet hoe zij dat doen. Ik ben er nog niet achter. Maar ik hoef het niet. Ik wil gewoon dit.” Jaap haalt zijn peuk uit zijn mond en wijst op zijn half opgerookte sigaret. En jij wil dit! Jaap brengt zijn duim en wijsvinger zonder inhoud naar zijn mond. Mijn flesje staat nog binnen. Ik realiseer me dat dit het moment is om afscheid te nemen van Jaap. Misja zal toch nu wel thuis zijn.

Het schemert als ik thuis kom. Misja’s fiets staat er nog steeds niet. Ik open de deur en wandel door de gang de woonkamer in, regelrecht naar de keukentafel. Ik weiger het licht nu al aan te doen. Ik neem plaats op de stoel, zet een koptelefoon op en dommel in slaap. Jaap is ver weg en Misja is onbereikbaar. Speedsaxofonist Albert Ayler blaast een neurotisch fanfaremuziekje waarin blazers en strijkinstrumenten met elkaar om de aandacht strijden. Mijn maag draait zich om en om. In mijn droom braakt ons zojuist -maar eeuwen te laat- geboren kind de kamer onder met vloeibaar roggebrood. Als ik wakker word trekt mijn maag zich samen en stoot  ik een bescheiden hoeveelheid braaksel uit over mijn zojuist gewassen broek. Na drie contracties is mijn maag weer enigszins tot rust gekomen. Mijn broek is vies, evenals de stoel, mijn schoenen en een stukje vloer. Ik spoed me naar de gootsteen en vis er een vaatdoek uit. Ik veeg een deel van mijn maaginhoud weg. Ik was het doekje en keer terug om een ander deel weg te wissen. Dit tafereel herhaalt zich enkele keren totdat, naar mijn oordeel, de kamer weer toonbaar is. Het is donker buiten. De kat is er nog steeds en springt weer op tafel en likt aan een vergeten restje van mijn braaksel. Ik zwiep het beest van tafel. Ik ben blij dat Misja nog niet thuis is.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Uncategorized and tagged , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s