De vrouw die zich bij het zingen verschool achter de trompettist

 bank Toen ik de trein binnen trad was het jaar al bijna ten einde en de wagon zat ogenschijnlijk vol. Enorm kale mannen met enorme dikke buiken en enorm forse ledematen zaten met een kerstpakket op schoot of een in dunpapier gewikkelde fles port tussen de knieën  op tweepersoonsplaatsen. Wegens mijn bronchitisachtige verkoudheid had ik een enorm vervelende hoest voor elk van hen in de aanbieding en ik koos mijn slachtoffer zorgvuldig uit. Een man zonder  wenkbrouwen, een uitgebluste blik,  en rode konen. Hij had een ingepakte  fles tussen zijn knieen. Hij merkte me niet op toen ik op het reepje naast hem ging zitten. Ik lanceerde mijn hoest. De kale ging verzitten. De plek was nu nog niet ruim, maar voldoende voor de 14 minuten-durende reis tot Haarlem. Ik pakte mijn boekwerk uit mijn tas en probeerde wat te lezen. Op het bankje voor me zat geen kale man, maar een vrouw met, vermoedelijk,  haar vriend. Ze was onaantrekkelijk. Ze had een lang hoofd met sprieterig haar, slordig weggewerkt in een staart. Haar onregelmatige huid had ze zonder succes proberen weg te werken onder een laag licht zalmroze gekleurd plamuur. Haar poriën waren niet weg te plamuren. Ze keek met haar fletse ogen haar vriend aan en probeerde hem van het nut van een bepaald bezoek te overtuigen terwijl ze met haar te lange vingers rommelde. Enkele van haar lange kalknagels waren gebroken of beschadigd. De aderen op haar handen waren gezwollen. Wat zal het meisje zich ongelukkig hebben gevoeld.

Als ik de trein uit stap lijkt het of ik een jaar verder ben. De wereld ziet er buiten de trein toch wel heel anders uit. Ik wandel naar de fietsenkelder en haal mijn tweewieler uit de stalling. Eenmaal buiten fiets ik over de rode loper van Haarlem richting de Grote Markt. Rudy Kousbroek draagt op een te klein podium aan het einde van het stationsplein een gedateerd Franstalig gedicht voor. Het onbegrepen meisje met de grote handen luistert, al fietsend,  naar het moeilijke gedicht en knikt plichtmatig. De dikke kale man rijdt ervoor en giet de inmiddels geopende fles met zijn onbuigzame arm in zijn geopende muil. Op de Parklaan rijdt een auto door het rode licht en vaagt in een keer het meisje en de man van de weg. De auto draait het fietspad op en keert wederom, de parallelweg op, de slachtoffers voor oud vuil achterlatend. Als het fietslicht weer op rood is gesprongen rijden alle fietsers om de lichamen heen de straat over. Ik fiets met ze mee en neem me voor het ongeval zo spoedig te vergeten.

Ik fiets met aangepast tempo door de binnenstad richting de school van de kinderen. Als ik mijn fiets tegen het hek van de school geplaatst heb en het lege plein betreden heb hoor ik in echo de zware stem van Paul Robeson. “The pures Kind of a Guy”. Ik voel me verlaten. Ik ren het plein over naar de ingang. Ik ruik kruiden. Gluhwein!

Binnen hokken alle andere eenzame ouders bij hun kroost. Er wordt niet meer gezongen. Er wordt fors gedronken. Kinderen lopen langs en door elkaar terwijl de ouders in verhitte discussies verzand zijn. Ik probeer er vanavond niets meer van te maken en wenk de aangeschoten  schenkster en verzoek haar mijn glas te vullen met drank.Een deel belandt naast het glas. Nog even en Misja zal er zijn en dan zullen we in rij terugfietsen naar huis. 

  klas 

Als  de kinderen arriveren heb ik mijn zoveelste glas achterover gedrukt. De schenkster is inmiddels vervangen door een
strenger exemplaar. Ze vult de glazen nog maar half. Ik kom dus vaker bij haar langs. Het is allemaal gratis.”Het is maar eenmaal kerst!” roep ik jolig, als er een geërgerd kijkende moeder passeert. “Nog even en Misja zal er zijn.” houd ik mezelf voor. Af en toe rennen er kinderen langs. Ik probeer ze te herkennen. Ik neem plaats op een oude kruk en kijk zorgvuldig naar de bijbelplaten aan de wand. Eindelijk loopt Misja de school binnen. “Zo, zit meneer aan de Gluhwein? Meneer weet toch dat hij daar helemaal niet tegen kan?” zegt mijn reddende engel en ze legt een arm om mijn schouder. Ze laat zich een plastic beker warme chocolademelk inschenken. “Kom, we gaan lieverd. Ik heb een lekker stoofschotel voor je bereid.” De kinderen lopen met ons mee en laten hun vriendjes achter tot volgend jaar. “Fietssleutels?” vraag ik aan Boaz als hij mij vragend aankijkt nadat hij zijn zakken heeft doorzocht. “Ja”, antwoordt hij met zijn bleke snoetje, “liggen in de put.” Na een half uur putwroeten  met de concierge en andere sociale geesten lukt het een moeder met een afwashandschoen Boaz’ sleutels uit de put te vissen. “En nu wegwezen”, zegt de moeder met een valse lach en ze kijkt me verwijtend aan (want ik heb de sleutel  niet uit de put gehaald). Als we met de kinderen voor ons fietsen en Misja haar fiets naast de mijne heeft gemanoeuvreerd pakt ze mijn hand. “Toch leuk he, kerst op school.” zegt ze, terwijl ik mijn evenwicht probeer te behouden. “Ach ja, lieverd” antwoord ik . “maar wel jammer toch dat je er zo laat was.” “Is niet erg, jij was toch gezellig. met de kinderen?” Ik zwijg. Ik kijk naar de kade voor ons  en de achterwielen van de kinderen. Ik probeer Misja te vertellen over het ongeval op de Parklaan, maar ik doe het toch maar niet. Nog even en we zijn weer veilig thuis. 

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Persoonlijk, Uncategorized and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s