Alahi Alaha Alahoe?

Het verhaal begint The Day After in de hal van de VU. Ik zit met mijn ipad op een hoge kruk aan een hoge tafel. Het is Open Dag en Misja mag een zaterdagdienst achter de bar draaien. Om geen moslims tegen het hoofd te stoten staan bier en wijn vandaag achter slot en grendel. Ik zit dus met een kopje lauwe koffie te werken aan mijn recensie van het aanstaande vrijdag te verschijnen nieuwste album van DJ Maestro. Een remix van het debuutalbum van Nina Simone, Little Girl Blue. Door mijn koptelefoon klinkt het op mijn ipad opgeslagen originele album. Ik kan geen gebruik maken van de gastenwifi. Ik heb geen code ontvangen van de jonge gastvrouwen die deze op een briefje aan de arriverende tieners aan de deur staan uit te delen. De reden heb ik ze niet gevraagd, maar ik vermoed dat ze mij in mijn stinkende vest, met mijn ongefatsoeneerde baard en vette haar aan hebben gezien voor de schoonmaker.
De jongen van de boekwinkel, een knulletje van begin twintig met een sullig brilletje en een houterig loopje, sluit de winkel af met enkele glazen panelen. De informatie-ezels worden naar binnen verplaatst. Achter de kassa zie ik, in het volle licht, een oudere man met wat bonnen en geld in de weer. Geen wifi en de boekwinkel is nu ook al dicht. Waar haal ik nu informatie over het album van Maestro of Nina Simone vandaan? Ik kijk fronsend voor me uit en pas af en toe een zin aan, de blikken van de vertrekkende jongens en meisjes ontwijkend. Het is al 16.10. Misja zal zo wel klaar zijn. De open dag is voorbij. De zithoeken aan het raam zijn leeg, de eetkramen zijn inmiddels ontmanteld. Collega’s van Mies lopen druk kakelend in te strak zittende kostuums en hagelwitte blouses voorbij. Geen van allen kent me. Misja zal wel weer met een student of hoogleraar in gesprek zijn geraakt en is waarschijnlijk vergeten dat ik in de verlaten centrale hal op haar zit te wachten. Vijf minuten later loopt ze in haar pakje langs en duwt me een kus op mijn wang. Ze wijst naar mijn koptelefoon. Ik zet hem af. “Ben zo klaar lieverd, nog even naar de keuken en dan omkleden.” “Is goed, ik kan hier toch geen kant op.” antwoord ik en ik wijs naar de lege hal. Een gekostumeerde collega, een geblondeerde vrouw van ergens in de vijftig, komt langs en groet Misja. “Hee Joke, kijk wie hier zit? Dat is mijn vriend!” We schudden ongemakkelijk elkaars hand.

Stipt om 16.30 loopt Madame Populaire naar mijn tafeltje en verlost me uit mijn ongemakkelijke positie. “Kom je mee lieverd, of ben je nog niet klaar?” “Ik ben nooit klaar” brom ik terug en ik laat me van de kruk afglijden. Ik pak mijn schrijfwaar in en sluit mijn rugzak. Ik trek mijn drie vesten over elkaar aan. Een deugdelijke winterjas heb ik niet meer. De laatste heb ik vorige week weggegooid nadat een van de katten erover heen had geplast. Mijn zweet ruikt naar kattenpis en lokt bepaald gedrag op bij onze gecastreerde kater. Een beveiliger groet ons. “Getsie, het regent.” zegt Misja als we het bordes oplopen. “Even doorstappen lief, straks missen we de bus nog.” zeg ik en ik trek Misja aan haar mouw mee de helling af. Helaas staat er een enorm hek tussen ons en onze halte. In de verte zien we de bus. Ik ren de straat over, om het hek heen, de bus tegemoet. Misja houdt het niet bij. “Ik houd hem wel tegen.”. Enkele tellen later loop ik de bus in en vraag de chauffeur de deur nog een tel extra open te houden. Misja komt puffend binnen “…geen ….conditie…”. “Maar weer naar de sportschool?” “Ik pieker er niet over. Geen tijd voor.” Misja legt haar poezelige hand in de mijne en gaat met haar hoofd tegen mijn schouders zitten. Het vervoersmiddel zet zich in beweging. Nog twee haltes en we rijden de snelweg op. “Eindelijk weekend…” mompelt Misja. Ik geef haar een aai over haar bol en haal de koptelefoon weer uit mijn tas. Ik schakel over op de buswifi. Op Facebook lees ik dat 184 van mijn vrienden de aanslag hebben overleefd. Ik wist niet dat ik zoveel vrienden in Parijs heb rondlopen. Ik open Spotify en zoek wat stemmige muziek voor deze regenachtige rit van Zuidas naar Haarlem. Lou Reed, Nico en John Cale. Le Bataclan, 29 januari 1972. The Black Angel’s Death Song. De zeurderige viool van Cale, de zuiver gestemde gitaar en het sonore stemgeluid van Reed. Misja is inmiddels in slaap gevallen. Ze ademt onrustig. De lucht boven de landingsbanen bij Schiphol is angstaanjagend donker. De anonieme snelweg geeft ruim baan aan ingeblikt ongenoegen. Ik luister naar Wild Child (“a new song”) en bij de openingsakkoorden van Heroin klapt de zaal, een kleine zaal, want de echo van het applaus klinkt kort. Le Bataclan. Koplampen verlichten de eerste druppels op het busraam. Het licht bereikt gebroken mijn pupil. Het zicht vertroebelt. Twee dikke tranen biggelen over mijn wangen en ik huil geluidloos. Misja’s rustende hoofd laat een korte snik horen. Met een beetje geluk is de bui over als we in Haarlem arriveren.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk and tagged , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s