De verstarde piano

De kinderen zijn uit logeren en de herfstvakantie is begonnen, maar ik ben er nog niet helemaal klaar voor. Misja moet haar dienst nog draaien en zolang zij nog aan het werk is kan ik geen vakantie vieren. Om het moment van ons samenzijn zo veel mogelijk te bespoedigen besluit ik haar, de keetjuffrouw van de Vrije Universiteit, van haar werk op te halen. Ik neem de fiets naar het busstation. Het regent. Als ik bij het wachthok ben gearriveerd plaats ik mijn fiets tegen die van Misja. Ik ga op het bankje zitten en aanschouw de inhumane omgeving. Rijen personenauto’s verplaatsen zich in het ritme van de verkeerslichten naar een mij onbekende bestemming. Links van me zie ik het resultaat van jarenlang architectonisch wanbeleid. Een lange muur van afzichtelijke flatgebouwen in de kleur van turf. Rechts van me zie ik de kale vlakte. Een karakterloos landschap bestaande uit desolate sportvelden waar men pro forma een clubgebouw heeft geplant. Ik begrijp nu waarom hier zoveel verkeer is. Niemand wil hier zijn. Iedereen wil zo snel mogelijk weg. Lange rode bussen stoppen hier om de zoveel minuten om mijn lotgenoten richting Haarlem, Amsterdam of Schiphol te vervoeren. De eerstvolgende bus is voor mij.
Vrijdagnamiddag een half uur later. Misja is klaar met haar dienst en moet zich omkleden. Ik breng intussen een bezoek aan de boekhandel van de Vrije Universiteit, afdeling Ramsj (alles 50 % eraf). Een halve meter achter me bevindt zich de wenteltrap naar de tussenverdieping met kantoorartikelen en voor me staan de kartonnen dozen met ongelezen werk, naast me staat een vijftiger met sluik asgrijs haar tot ver in de nek, een hagelwit overhemd onder de lichtgrijze getailleerde blazer die nauw om zijn slanke torso sluit. Het lijkt of hij mij, een verwarde veertiger in een versleten donkergrijze door zweet aangetaste winterjas met een vermoeid en door het leven getekend gezicht, aan de kant wil schuiven zodat hij de boeken kan pakken die ik zojuist heb aangeraakt. Hij doet maar. Ik heb een boek in mijn hand van Joost Zwagerman. Een bundel vol zwaarmoedige essays over het Nederland tussen 2004 en 2008. De oprukkende islam, de moord op Theo van Gogh, de colllectieve rouw na het overlijden van Andre Hazes, etc. Een zwaarmoedig boek. Joost Zwaarmoedigman. Op de prijssticker zie ik 14,95 euro staan. De helft gaat eraf. Dan ben ik alsnog 7,50 kwijt. Dat moet goedkoper kunnen. Ik leg het boek terug. Mijn buurman duikt erop af. Ik loop de wenteltrappen op naar de begane grond. Het is bijna zes uur. De zaak zal zo wel sluiten. Geen spoor van Misja. Ik ga in de enorme studentenhal zitten op een hoge kruk aan een hoge tafel. Naast me, aan de andere zijde van het looppad aan de raamkant, zie ik in keurig opgestelde zithoekjes studenten met elkaar in gesprek. Ze kijken elkaar serieus aan. Ik vraag me af wat een student op vrijdag om 18:00 uur nog in het universiteitsgebouw te zoeken heeft, terwijl verderop de kroeg lonkt. Als Misja in vol ornaat (zelfverzekerd in bontjas, glansschoenen met hoge hakken, een panty in panterprint over haar ranke benen en het blonde haar los over de schouder) verschijnt is mijn zwaarmoedigheid plotsklaps verdwenen. “Waar zullen we eens heen gaan?” zegt ze de studenten naast me hooghartig observerend. “Waar jij wil, lieverd” antwoord ik Misja, dankbaar over haar komst. “Nou, eerst maar weer terug naar Haarlem” reageert ze als ze mijn hand pakt. We wandelen de gang af richting uitgang. Als we de enorme draaideur naar buiten genomen hebben treffen we een stoet rokende twintigers op de natgeregende betonnen entree. Ik trek de kraag van mijn jas omhoog. We lopen de lichte hellingbaan, de drukke weg over en nemen plaats bij het bushokje. Misja begint een liedje van K3 te zingen en geeft me een knuffel “weet je, als ik alleen ben doe ik niet zo gek in deze serieuze omgeving, maar met jou erbij is het anders.” Ik lach schamper en draai mijn hoofd de andere kant uit om te kijken of de bus er al aan komt. Als we in de bus zitten rijden we na twee haltes de snelweg op. Door de natgeregende beslagen ruiten zien we de rode achterlichten van het langzaam rijdend verkeer richting zee. “Het is rustig op de weg vandaag. Gisteren stonden we hier al in de file”. zegt Misja en laat haar opmerking volgen door een lange gaap. “Morgen maar niet naar die lezing in Amersfoort gaan? Het begint al om 10.00 uur en dan moeten we er weer zo vroeg uit. Ik meld ons wel ziek.” Ik ben blij. Ik had er behoorlijk tegenop gezien. Voor mij is een vrijdagavond het ultieme begin van het weekend als ik de dag erna kan uitslapen.

 


Als we thuis zijn trekken we allebei een flesje bier open. We gaan aan de eettafel zitten. De piano, die zwarte kolos naast ons is al enkele maanden niet bespeeld. Ik kom er op de en of andere manier niet aan toe om er achter te gaan zitten. Het is niet zo dat de tijd om te spelen ontbreekt. Er zijn voldoende momenten op een dag dat het kan. Maar als ik me heb voorgenomen een jazzmelodietje te spelen dat in mijn hoofd zit, de pianoklep heb vrijgemaakt van kledingstukken, boeken of speelgoed, wil het me maar niet lukken een toets aan het raken, het lukt me de laatste weken zelfs niet om de klep te openen. Er is iets. Zou ik te schuchter geworden zijn om de stilte te verbreken met mijn in pianoklanken vertolkte gevoel? “Waarom speel je eigenlijk geen piano meer de laatste tijd?” vraagt Misja die mijn ogen volgend kennelijk mijn gedachten geraden heeft. Omdat ik geen antwoord weet te verzinnen blijf ik stil. Gelukkig heeft Misja wel voldoende gespreksstof om de ongemakkelijke stilte te verdrijven. Misja draagt me op om de pizzeria te bellen. “Ik kan om half negen nog een plekje voor u vrijhouden.” zegt de zoon van de eigenaar die ik dagelijks in de supermarkt tegen kom. “We zullen nog maar een flesje openmaken lieverd, we hebben nog anderhalf uur voor de boeg.” zeg ik tegen Misja als ik opgehangen heb. “Geeft niet lieverd. Kom, roken we er een.” Misja loopt met een pakje sigaretten in de hand naar de keuken en zet de afzuigkap al vast aan. “Heb jij nog iets meegemaakt vandaag?” vraagt ze als ze een peuk in de mond stopt en aansteekt.

 

Als het eerste weekend van de herfstvakantie halverwege is lees ik in bed het laatste nieuws op mijn ipad. Misja ligt dan al enige tijd in dromenland. Mijn blik blijft hangen bij een door een Jazzvriend gedeeld artikel op de website van NBC News: Jazz Players’ Brains See Music as Language. Taal! De woorden. Ben ik ze kwijt? Het is niet de piano die mijn stem doet verstommen. Ik ben gewoonweg vergeten hoe ik moet spreken. Ik laat mijn ipad uit de handen glijden en val spoedig in een diepe, maar onrustige slaap.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Persoonlijk and tagged , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s