De expert

   
 Het begon allemaal op het moment dat de vrouw met de kordate blik me een neuroot noemde. 

Ik heb een kwartier eerder plakbriefjes in drie verschillende kleuren in willekeurige volgorde uitgedeeld aan de veertien bezoekers van het forum met het verzoek er hun wensen en verlangens met betrekking tot de toekomst op te kladden. Vervolgens komt iemand op het idee de blaadjes op een flipoverblad te plakken. De forumleden plakken de blaadjes op het A0-blad achter me. Ik zie tevreden dat de roze blaadjes bij de roze, de gele bij de gele en de blauwe bij de blauwe zijn geplakt, precies zoals ik ze kort daarvoor uit de Paternoster met uiterst zeldzaam kantoormateriaal heb gehaald. Als ik beter kijk zie ik onder de roze twee gele blaadjes. De vrouw plakt haar aanbevelingen op het bord. “Zal ik die twee gele maar in de gele rij hangen?” vraag ik haar aarzelend. “Doe niet zo neurotisch man.” antwoordt ze onverwacht grof en direct en plakt haar blauwe blaadjes onder de andere blauwe. De rest van het forum gaat volledig aan me voorbij. 

Na het hele gezelschap gegroet te hebben neem ik de metro naar het centraal station. Ik stap in en ga aan de linkerkant van de paal in het gangpad staan. Aan de rechterkant is ook ruimte. Waarom kan ik daar nu niet staan?  Twijfel is de bron van alle kwaad. Een magnetische kracht weerhoudt me ervan een stukje naar rechts te schuiven. De plaats naast me wordt een halte verder door een forse gestalte ingenomen. Daar kan ik nu niet meer staan. Dit feit stelt me gerust. Op het station controleer ik de tijd. Ik stap het perron op en neem negenenzeventig (zo oud werd mijn grootmoeder) passen later plaats in de trein naar Dordrecht op de linkerzitplaats van de tweezitsbank op het balcon van  de tweede eerste klaswagon (gezien vanaf de Koninklijke wachtkamer). Ook hierover is geen twijfel mogelijk. De trein rijdt conform de tabel van de spoorwegen en komt op de juiste tijd aan in Haarlem. Ik loop met de stroom mee de dichtstbijzijnde stationshal tegemoet. Mensen lopen gedwee de juiste richting uit, de trap af, de gang in, richting stationsplein. Ik ontwaar stromen vertrekkende en arriverende passagiers en controleer of de arriverenden in de rij voor me hun vervoerskaarten langs de chipzuil vegen.Ik verneem  bij elke uitcheckende passagier een piep en weet dat het goed is. Als ook ik mijn kaart langs de zuil heb geveegd loop ik gedachtenloos richting fietsenstalling. Hoewel, geheel gedachtenloos loop ik niet.

De juffrouw op het bankje schuin tegenover me is met een medereiziger een verhaal begonnen. “Ik zit daar in dat huis en ik zeg: heb je wel gegeten? Nee zegt dat mens, ik woon hier op tien vierkante meters met dertien Polen en die vreten als bouwvakkers. Sterker nog, zegt ze. Het zijn allemaal bouwvakkers. Dus ik weer vragen: Wanneer ga je dan eten? Geen idee zegt dat ze, ik kan best zonder.””Het is toch een andere wereld he?” zegt de vrouw met haar afgemeten smoelwerk tegenover de vertelster. “Dat is het. Ik zat vorige week met iemand die klaagde over het gebrek aan privacy. Blijkt zo’n vrouw zich te moeten douchen in een badkamer zonder slot. En zo’n bouwvakker staat dan doodleuk in de deuropening te wachten totdat ze klaar is.” De medereiziger schudt meewarig haar schijnheilige smoelwerk en kijkt doelloos de kale vlakten van de Spaarnwouder Polder over.

Ik heb geen idee waar de twee het over hebben, maar voor dat ik er erg in heb  loop ik weer te fantaseren. Ik ben werkzaam als parttime vrijwiliger achter het loket “onmogelijke opgaven”. Een fantasie die valt terug te voeren op mijn ervaringen als lid van het stembureau. Ik loop gewichtig heen en weer achter een lege lange tafel en wijs de voorbijgangers de weg. Ik spreek met mensen die zijn vergeten na te denken. “Daar achter die reclamezuil heb ik je zojuist zien spreken met jezelf. Ga terug en probeer het nog maar eens.” “Dramatisch wat je me nu vertelt. Maar heb je wel geslapen vannacht? Je gezicht ziet blauw van het slaapgebrek.” “Leef je nu werkelijk in die waan? Of leeft die waan in jou? Als ik jou was zou ik nog eens teruggaan naar de bron. De bron. Daar waar alles begon.”. Ik zie een gezelschap van driftige werklui voor me. Ze zijn moe, maar ze missen een gelegenheid om te slapen. “Je kunt slapen in het ICT-lokaal op de eerste verdieping” (mijn stembureau bevindt zich in een ROC). Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd en sta plosteling midden in de in de fietsenstalling. Was het nu rij dertien, veertien of vijftien waar ik mijn fiets heb gestald? Ik loop dromerig en onthaast langs de mensen die in de spits hun mens-zijn even zijn vergeten. Het zijn identiteitsloze robots die hun pakje “eigenheid” naast hun broodtrommel in de rugzak meevoeren.  En dat is nog niet eens het ergste. Sommigen vergeten thuis hun rugzak uit te pakken.  

 Uiteindelijk weet ik mijn fiets te vinden op een plek waar ik inmiddels drie keer langs ben gelopen. De volgende keer maar weer een fiets met een felle kleur kopen.  Ik loop met de donkerblauwe tweewieler aan mijn linkerzijde de trap op. Ik schrijf met rechts, maar de rest doe ik het liefst met links. Mijn moeder is ook linkshandig. Eenmaal boven sla ik, al het fietsverkeer negerend,  linksaf richting stad.  De namiddagzon kleurt het rode fietspad donkerroze. Drie voluptueuze tienermeisjes rijden lachend en onvoorzichtig naast elkaar. Ik laat ze begaan en blijf netjes achter ze rijden.  Ik zou hun vader kunnen zijn.  Ik rijd door rood. De weg die ik oversteek, de Parklaan, is stil. Als ik de Oude Gracht over ben wordt het weer wat drukker.  Op de Markten tref ik volle terrassen. Bij cafe Koops zie ik mijn voormalige buurvrouw zitten met haar vriend.  Ze ziet er gelukkig uit. Ik groet haar. De groet van een neuroot? Moet geel bij geel en rood bij rood? Als ik naar de straat kijk zie ik een kleurverschil. Het donker van de straatstenen wordt onderbroken door een lichtere kleur.  Een tientje! Toch? Ik fiets terug. Verrek. Inderdaad een tientje. Ik pak het biljet op en klem het briefje in mijn knuistje. Ik rijd triomfantelijk  langs het terras van uitbaterij De Waag, langs de plek waar even ervoor een fietser in botsing is gekomen met een scooter. Het bloed is nog maar net weggeveegd, maar ik lach en zwaai naar de in zomerkleding gehulde bezitters van de pleziervaartuigen aan de kade van het Spaarne. Een tientje! Gevonden op straat! Plotseling begrijp ik wat men bedoelt met “oud geld”. Dat is geld waar je snel genoeg van hebt. Ik rijd gillend de ophaalbrug tegenover het Teylers museum over.

Het begon allemaal op het moment dat de vrouw met de kordate blik me een neuroot noemde. 

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Uncategorized and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

One Response to De expert

  1. fredvanderwal says:

    Geel moet altijd bij geel -kleur van het rijke roomsche leven- en roze bij roze (kleur van de gay canal parade) en dan…ja dan komt alles goed

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s