Meneer, mag ik in uw reet bijten?

 Dat het leven een tranendal is hoeven we niet enkel te vernemen uit de literatuur van Maxim Gorki, Bob Den Uyl en Menachem Arnoni. We ervaren het dagelijks. U niet? Ik in ieder geval wel. Dat maakt verder niets uit. Ik heb nog geen ‘poging’ gedaan en ik klik iedere dag redelijk tevreden het nachtlampje naast mijn bed uit als ik verlangend aan de dag van morgen denk. Hoe komt dat? Ik kan me in zekere zin voor alle ellende afsluiten. Ik neem mijn telefoon niet op als ik er geen zin in heb. De televisie dient nog slechts ter vermaak van de kinderen en van Misja. Van de kranten lees ik enkel de strips en -als ik in een goede bui ben- een ingezonden brief, een column of het weerbericht. Maar ik besef me dat ik een leven leid waar sommige mensen panisch van worden. En daar word ik wel eens verdrietig van.

Het menselijk drama dringt zich dagelijks aan me op als ik met de fiets door de stad naar het werk ga of, als het weer me tegenstaat,  in de trein. Een forens krijgt de ellende dagelijks met eetlepels vol opgediend. Net als je denkt dat je het ergste hebt gehad schept de schepper er nog een bordje bij. “Ja, waar heb je het dan over?” hoor ik u zeggen. Denk aan een volle trein. Er is nog net een staplek in het midden van de coupe, naast bank 7 en 8. Daar ga je dan staan met je kartonnen beker koffie, afgedekt met een plastic dekseltje met een gaatje erin waar een behoorlijke  hoeveelheid koffie uit lekt omdat je de beker net niet recht kunt houden. Dan komt de uitdaging. Je drinkt koffie graag met melk. De melk zit in een cupje. Het dekseltje moet eraf, en het cupje moet worden ontsloten.  Aan het cupje zit een driehoekje dat je moet afbreken. Het driehoekje breekt af, maar het cupje laat nog geen melk vrij. Er zit een hardnekkig vliesje onder de donkerblauwe folie waar het cupje mee was afgedekt. Je zet de hele santekraam neer op een plek op de vloer, nabij de onrustig bewegende lederen schoenen van de sjachrijnig kijkende jongeman in pak die hoogstwaarschijnlijk naar een sollicitatiegesprek gaat. Op de vloer meng je de halfgevulde afgekoelde drank en roert met een houten lepeltje de zoute melk de koffie op kleur. Je staat moeizaam op, je afzettend met je  linkerhand waarin zich ook de beker bevindt en in je rechterhand klem je deksel, roerstaaf en het cupje met een restje melk. Aangezien de machinist met een behoorlijk vaart de in Bloemendaal opgelopen vertraging probeert in te halen schudt de trein nogal. De sollicitant vloekt. Je kijkt naar het lege cupje in je rechterhand. Jawel, het restje melk stroomt nu over de manchetknopen. Je probeert de schade te beperken en doet of je het erg vindt. “Nee, het is niets.” wordt er gezegd door de man die beter gekleed gaat dan jij en note bene een zitplek heeft in een overvolle trein. Je drinkt je koffie -of dat wat ervoor doorgaat- en vraagt je af hoe het in de hel zal zijn.

En plotseling is het de mooiste dag van de week: vrijdag. Het is goed weer en ik fiets naar mijn werkgever in Amsterdam. Daar vermaak ik me met onbenullige gesprekken en verplicht leeswerk. Halverwege de werkdag loop ik voor mijn lunchwandeling langs de sporthal en daar tref ik een groep somber kijkende Afrikaanse heren op het plein.  Achter hen staat een lege bus van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf. “Het zijn alleen maar mannen” echoot er door mijn hoofd en ik krijg een vermoeden van wat er hier aan de hand is. Even later spreek ik een collega. “Vluchtelingen uit Eritrea. Christenen. Moeten ze vooral doen in deze buurt waar Mohammed B. en IS populairder zijn dan Koning, Cruijff en Ajax”. Ik vermoed dat het zo’n vaart nog niet zal lopen. De vreemdelingenpolitie is volop aanwezig. Ik denk aan de ellende van vijfhonderd bedden in een volleybalzaal. Je zou maar een blaasontsteking hebben en langs 495 vreemdelingen moeten wandelen voordat je de wc hebt bereikt.

Aan het einde van de dag fiets ik tussen de buien door naar Haarlem. Net voorbij Zwanenburg schuil ik voor een imposante bui onder een snelwegviaduct tegen een betonnen peiler.  Ik bevind me onder het Rottepolderplein. Rechts van me zie ik de lucht opklaren, links van me kleurt de zon de regenwolken dreigend donker. Ik  open mijn rugzak en trek een blik zwaar bier open. Ik zit hier goed. Een Transavia-vliegtuig daalt  door de zware regen-mist. Als ik even later rechts naast me kijk zie ik dat een heel gezelschap zich met fiets en scooter heeft verzameld onder een van de vier andere viaducten. Een man met verwaarloosd haar en dito kleding trekt een onder een van de peilers achtergelaten koelkast en een oventje weg en laadt ze in zijn kooikar. De bui trekt over. Mijn blik bier is nog niet leeg. Ik zie het gezelschap vertrekken. Ik zit weer alleen. Er gaat een vliegtuig over. Ik zet mijn nog half gevulde blik tegen de peiler en pak mijn fiets.

In no-time ben ik bij de buurtsuper. Het duurt nog even voordat Misja thuis is. Ik besluit van alles waarvan ik vermoed dat we het nodig hebben veel in te slaan. In de rij voor de kassa tref ik een aantal zenuwachtig bewegende adolescenten. White trash. Er schuiven steeds meer doelgroepers aan. “Kijk hier, de hele Parkwijk is aanwezig!” zegt een onnozel ogende tienerjongen met opgegeld stekelhaar en een in een felblauw t-shirt gestoken imposante buik. Met zijn slappe armen tilt hij een krat bier op de band. Een oudere man achter hem reageert. “Hoezo? Die tyfusbuurt van jullie is inmiddels tegen de vlakte!” Ik zie een conflict ontstaan. Door het halve blik zwaar bier (over-) moedig geraakt ga ik tussenbeiden staan. “Heren, heren!” (ik hoor van Karel van de Graaf) “Even rustig, Parkwijk is in transformatie en de mensen die de buurt gaan opbouwen staan hier nu naast me!” De drie ruziezoekende tieners druipen af. De oude heer schudt me de hand en loopt langs de sigarettenbalie om een pakje Pall Mall te halen. Twee slecht geklede tienermeisjes met onverzorgde gebitten en gebleekte haren lopen me schalks kijkend voorbij. Als ik weer buiten sta en voorovergebogen boven mijn fiets hang om deze van het slot te halen komen ze langs. “Meneer, mag ik in uw reet bijten?” hoor ik een van de twee meisjes  zeggen. Het meisje met de zwarte tanden kijkt nog even over haar schouder mijn richting uit. Ze weet dat ik haar verstaan heb. Ik geef haar met mijn rechterhand een groet en ze groet me onzeker terug.

Dat het leven een tranendal is hoeven we niet enkel te vernemen uit de literatuur van Maxim Gorki, Bob Den Uyl en Menachem Arnoni.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music and tagged , , , , . Bookmark the permalink.

One Response to Meneer, mag ik in uw reet bijten?

  1. Goed geschreven….een verademing….

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s