Mag ik een nachtje op uw bank slapen?

imageDe eerste dag van het open monumentenweekend is weer succesvol verlopen op mijn locatie. De gastheren en -vrouwen van het oudste gebouw van Haarlem heetten vandaag 985 bezoekers welkom met een dubbelzijdig bedrukt A5-je boordevol informatie (gelukkig had Henk dit jaar tijdig het lettertype aangepast van Gotisch naar Calibri) en een gastvrij praatje over het pand, de gerestaureerde stadsplattegrond uit 1688 en de expositie over de Damstraat (halsslagader van de markten).

Om 13.20 verlaat ik met een slaak van verlichting de deur van het kinderrijke huis en parkeer mijn fiets tegen de sokkel waarvandaan sinds enkele jaren de zwartgeblakerde kop van de schrijver, wiens naam men in Haarlem niet wenst te noemen, de zaterdagmarkt inspecteert. Ik ren het trapje op om toch nog stipt 13.30 af te kunnen tekenen.

De heren en dames van de dienst van 10.00 uur verwelkomen mij met een kleffe handdruk. Een van hen bekijkt met een vies gezicht mijn zwartgevlekte rechterhand die bij het vervangen van de fietsketting door derailleurolie is besmeurd. ‘Kinderen he!?” reageer ik, de smetvrezende verontschuldigend aankijkend. “Hoeveel bezoekers hebben we gehad?” vraag ik, om het gesprek naar een hoger niveau te tillen. “We zitten nu op de 400” antwoordt een bejaarde vrouw in bloemjurk met een ronde klikteller in de hand. “Daar komen er nog wel 600 bij!” zeg ik goedgemutst en zet mijn rugzak onder de tafel die voor de gelegenheid voor de schouw is  geplaatst. Ik houd het  beneden al vrij snel voor gezien en loop de trap op naar de expositieruimte op de eerste verdieping.  Ik zie een bestuurslid, de voorzitter van de historische werkgroep, staan en groet hem. De in donkerblauw jacquet geklede asgrijze rijzige gestalte staat plichtmatig een dienst te draaien. Ik heb meelij met hem. Hij heeft in drie jaar de werkgroep, bestaande uit inefficiënt opererende historici uit het slop gehaald. Hij heeft de vergaderfrequentie tot het strikt noodzakelijke aantal teruggebracht. Hij heeft een vaste column in een glossy met een enorme oplage geregeld (welke historische werkgroep heeft dat ooit bereikt?) en hij heeft de impasse doorbroken. En nu mag hij, net als de andere bestuursleden, opdraven om toezicht te houden. Hij is verantwoordelijk voor de expositie, maar hij is niet geneigd de bezoekers er iets over te vertellen. En hij deelt zijn zwijgzaamheid met mij. We hebben dezelfde studie gedaan. Een van mijn hoogleraren heeft zijn huis in Heemstede gekocht. Dat schept een band. Een collega, een kwieke historica belast met het werven van leden wandelt ons tegemoet. “Gaat het goed hier jongens?”. Een gesprek over koetjes en kalfjes, waar hij en ik allebei geen zin in hebben, dreigt. Gelukkig is de historica, die kennelijk goede oren heeft,  snel afgeleid door een opmerking van een bezoeker tien meter verderop en wenst ze “het misverstand uit de weg te ruimen. Ik ben zo terug, heren.” De vrouw is verdwenen en raakt in geanimeerd gesprek met een bezoeker uit Delft. “Ik doe het haar niet na.” zegt het besuurslid dromerig haar kant op kijkend en het is bijna alsof ik mezelf hoor. “Een kop thee dan maar?” “Ja, graag, zonder suiker alsjeblieft.” De studiegenoot loopt naar beneden. De historica blijft in gesprek en ik knik nieuwe bezoekers toe. Even later plaatst het bestuurslid een glas warm water op de tafel en legt er een Pickwickzakje groene thee met Cranberrysmaak naast. “Iets anders zag ik niet liggen. Wil je hem donker of licht?” “Doe maar donker, dus doe eerst jezelf maar en hang hem er daarna maar bij mij in.” zeg ik, zonder maar een moment te denken aan de aanwezige bezoekers. Hij neemt een slok en vertrekt zijn gezicht. “Is een uitgesproken smaak, niet?” informeer ik. “Ja, bepaald niet mijn smaak, maar je moet toch drinken op zo’n dag.” reageert hij als hij zijn glas weer op tafel plaatst.

imageOm half drie loopt Jaap Klavan met zijn nimmer onopgemerkte opgewektheid de expositieruimte in om mij af te lossen. Ik weet dat, u weet dat, de enige die het niet lijkt te weten is Jaap zelf. Ik verlos hem van zijn onzekerheid en meld hem dat ik graag beneden wil staan om mijn duim op de proef te stellen. De teller zal naar alle waarschijnlijkheid doorslaan. “Vannacht lig je nog met je duim te drukken op die telmachine!” zegt Jaap voor de grap en ik lach schaapachtig omdat ik  uit ervaring weet dat het allemaal meevalt. Ik laat de heren, die volgens mij uitstekend aan elkaar gewaagd zijn, achter op de eerste verdieping. Eenmaal op de begane grond merk ik dat het boven goed toeven is. Een stroom van bezoekers loopt me voorbij. Ik druk ze bovengenoemde informatieverhaal in de hand. En voordat ik er erg in heb raak ik in gesprek. Ik weet nu waarom het bestuurslid boven staat. Ik sta voor de historische stadsplattegrond en staar plots in het schrandere gelaat van een tachtigjarige met een cowboyhoed op het hoofd en een gekrulde snor. “Kijk, ik het allemaal van nabij meegemaakt. Ik woonde ooit op de Parklaan, nr. .. en heb de gevelwoning volledig aangepast. Ik heb toen die tuin leeggegraven en 2,5 meter onder straatniveau…..” ik knik plichtmatig en de man ratelt door. Als er nieuwe bezoekers arriveren deel ik folders uit. De Parklaanman ontwaakt uit zijn fantasie, “Sorry, ik houd u alleen maar op.” en hij wandelt sneller dan je zou verwachten van een tachtigjarige de trap af, het plein op. Een veertiger, in het zwart gekleed, wenkt mij nu. “Sorry, u was zo lang met die meneer in gesprek, dus ik heb even gewacht tot u beschikbaar was.” Zijn gebit is aandoenlijk incompleet. “Ik ben nu geheel de uwe.” prevel ik, onrustig om me heen kijkend. “Ik ben idolaat van plattegronden. Ik heb er helaas mijn beroep niet van kunnen maken. Vertelt u eens over deze.” Hij wijst naar het restauratie-exemplaar. Ik draag wat versverworven kennis over, maar merk al vrij snel dat de gehavende in de vertelstand staat. “Ik woon op zeggen en schrijven 75 meter van de Amsterdamse Poort. Ik loop er iedere avond onderdoor. Op een dag hoorde ik een bepaald gezoem bij die houten…..” “ophaalbrugelementen?” vraag ik om hier maar zo snel mogelijk doorheen te komen, “Ja, die ja. Een gezoem. Ik  vermoedde dat er iets mis was met de electriciteit. Een vonk is zo overgesprongen en voordat je het weet is de hele Poort er niet meer.” Ik kan een gaap niet onderdrukken, maar de man heeft er geen aandacht voor: “ik ben vervolgens naar het politiebureau aan de Koudenhorn gelopen. En heb gewag gemaakt van het euvel.” “Politie? Ahja. Zou het niet makkelijker zijn geweest om de bewoner te informeren?” “Ja, maar die ken ik niet” zegt de onschuldige en verlaat het verdachtenbankje. “Ik ga nog even verder kijken” zegt hij ongemakkelijk mijn kant uit zwaaiend.

Een hoogbejaarde die ik door het pand heb zien strompelen vraagt me of ik hem de weg kan vertellen naar het station. Ik loop voor hem uit de trap af en geniet van de buitenlucht. De man staat  nog op de hoogste trede als ik omkijk. “Ik ben niet meer zo snel als u!” roept hij me toe. “Ik heb alle tijd.” zeg ik en ik draai me geduldig om, richting markt. Een vrijgezellenfeestje. Een meissjesgezelschap dartelt rondom mijn fiets. Een in bruidsluier gehulde krullenbol verzamelt verschillende jongens om zich heen die haar beurtelings een kus op een van haar haar wangen geven. Ik droom wat weg. Plots staat de oude recht voor me. “Het station?” vraagt hij en ik wijs hem de weg. Ik staar naar de zwarte puntjes in zijn helblauwe ogen. En voordat ik het weet ben ik weer in gesprek. “Dit soort bezoeken deed ik vroeger altijd met mijn vrouw. We gingen op Open Monumentendag met de trein naar een stad en bezochten er zoveel mogelijk gebouwen. Ik zei dan steevast: over een paar jaar moet je het alleen doen. Zij was immers 7 jaar jonger dan ik en ik heb een hartkwaal. Maar het heeft niet zo mogen zijn.” Een kwartier later wimpel ik de man af met het (terechte) argument dat mijn medegastheer op mij wacht. “U heeft mijn dag gemaakt, ik hoop dat ik u niet te zeer heb opgehouden!” zegt de KNIL-militair die zijn leven heeft gesleten in de bollenindustrie, maar een baan als onderwijzer ambieerde.

Om 17.00 uur werken we de laatste gasten de deur uit. Het is mooi geweest.  Ik fiets langs de Vlaamse frietspecialist (een zaak die tegenwoordig bestierd wordt door de Marokkaan die een half jaar geleden zijn Volendammer vishandel voor een jaloersmakende prijs van de hand heeft  gedaan) en haal er een pond patat. Ik fiets met de dampende plastic zak langs de oude Baaf, de Damstraat door, het Teylermuseum langs, de brug over, een steeg in en dan een smalle straat in naar links…. de vergetelheid in.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music and tagged , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s