Het ingestorte boekenimperium van Klaas Kluts

imageVrijdagochtend bilateraal overleg in het restaurant van de Balie. Het regent pijpenstelen. Ik neem de tram vanaf mijn kantoor richting Kleine Gartmanplantsoen. Ik zit op het bankje achter het geblindeerde raam van de conducteursloge. Naast me zit een gesluierde, aan haar rokken friemelende, meid van een jaar of twintig (maar het kan ook dertig zijn…ik moet haar zien om een leeftijd goed te kunnen inschatten). Twee haltes nadat ik ben ingestapt vangt ze mijn blik in het raam achter de conducteur (een plat Amsterdamse sprekende platinablonde vrouw). Ik kijk snel weg. De moslima pakt haar tas. Ik kijk naar links en zie dat de vrouw  aanstalten maakt om de tram te verlaten. Ik sta snel op en laat haar voorbij gaan. Vervolgens schuif ik een plekje op. Ik zit nu aan het raam op de door de friemelaar voorverwarmde zitplaats. Ik zie de contouren van de blonde kenau en de monitor waar ze mijn medereizigers in bekijkt. De regen loopt in ongeleide stromen van het dak over het raam. Een handjevol dappere fietsers gaat al of niet met paraplu of  hoofddeksel over Frederiksplein naar werk, school of huis. Het monster van de Nederlandsche Bank stevent hoog en eenzaam uit boven het door regenachtige mist omhulde straattheater. Inmiddels is er een puber met een pet en een enorme rugzak op zijn rug naast me gaan zitten. De rugzak duwt me tegen het raam. Ik duw terug, maar ik merk dat mijn krachtsinspanning de homp met hormonen naast me niet in beweging brengt. Ik heb zelfs het idee dat hij terugduwt. Dan maar niet. Ik moet mijn energie bewaren voor het gesprek in de Balie. Politicologen gaan alleen tevreden uit elkaar als ze beiden het idee hebben dat ze het onderste uit de kan hebben gehaald en de gesprekspartner dialoogtechnisch knock-out is geslagen. Bij het Weteringcircuit ziet het er al weer iets vriendelijker uit. “Het Rijksmuseum” wordt omgeroepen. Ik vraag me af welke toerist deze route neemt om het Rijksmuseum te bereiken. De omgeving rondom de vertrekhalte in Amsterdam-Oost is grotendeels nog terra incognita voor de gemiddelde globetrotter, de enkeling in het bezit van een Lonely Planetgids daargelaten. De lucht klaart tijdelijk op. Ik tik de jongen aan op de schouder. Hij schuift zijn lange benen met tegenzin terzijde. Hoe anders heb ik zojuist mijn buurvrouw bejegend. Door het tramraam zie ik mijn gesprekspartner haar fiets tegen de lantaarnpaal voor de Balie plaatsen. Net onder haar billen kleurt haar lichtbeige broek donker. Ze trekt de capuchon van  haar rode regenponcho omlaag zodat  haar kortgeknipte witte haar  zichtbaar wordt. Ze loopt kordaat de trap van de Balie op. Dat wordt een pittig gesprek.  Ze is binnen voordat de tram stopt. Ondertussen denk ik na over de introductie van ons gesprek.image

Een lange regenachtige dag later sta ik voor een ruimgevulde boekenkast in de Kringloopwinkel in Haarlem Noord, het domein van gekken, melancholici en koopjesjagers. Ik ben Misja en Levi op de fiets ergens halverwege het Spaarne kwijtgeraakt. (Leef had er geen zin in. Hij worstelde met zijn nieuwe rol van weekendkind en Misja had zichtbaar moeite met haar rol van weekendmoeder. Bij het kantoor van de Havendienst liet ik de hand van mijn lief los. “Ga maar, ik zie je later wel”, riep ze me na. Ik fietste door richting Kringloop en liet de twee begaan. Ik was blijkbaar teveel.) “Ja, het is een naar beeld. Dat van dat jongetje op het strand. En hij ging alleen maar naar Europa om naar de tandarts te gaan!” hoor ik een vrouw van middelbare leeftijd zeuren tegen haar vriendin. Ik sluit me doelbewust af van het gekwek van de  wijven. Gelukkig zijn ze snel weg. Waarschijnlijk zijn het geen lezers. En ik neem mijn plaats in voor de verlaten boekenkast in een kringloopwinkel. Ik praat wat in mezelf om andere klanten af te schrikken. Het werkt. Als ik bij de R ben komt er een schichtig om zich heen kijkende grijsaard schuin achter me staan. Hij stoort zich blijkbaar niet aan mijn ongemotiveerde geklets. Een minuut later gaat er een oudere naast de man staan. Hij heeft een afwijking naar rechts. Een tic. Even lijkt hij stil te staan, maar dan maakt hij weer een ongemotiveerde beweging. Alsof hij zich verstapt. De grijsaard houdt het voor gezien en ik zie mijn kans schoon om wraak te nemen op de jongen met de rugzak die een dag eerder mijn moment in de tram vergalde. Ik duw de  labiel bewegende figuur achter me tegen zijn rug. Hij maakt een draai naar rechts en staat nu middenin het gangpad. Hij kijkt verdwaasd. “Sorry”, laat ik me achteloos en ongemeend  ontvallen en ik ontferm me weder over het ongelezen werk in de boekenkast. Een moment later sta ik aan het einde van een lange rij van stadgenoten. De vrouw voor me heeft een mandje vol linnengoed. Bovenop ligt een boek over “beter leven.” Ik voorzie een lange wachttijd. Het is niet de lengte van de rij die me zorgen baart, maar de mevrouw voor me. Ze draagt haar peper- en zout-gekleurde stijle haar in een strenge wrong en houdt haar onsympathiek grojsgroen gekleurde ogen gevangen in een dito montuur. De goed gevulde mand zal waarschijnlijk de nodige stof tot discussie geven. En dat is inderdaad het geval. Mevrouw heeft de volledige collectie beddengoed in haar mand gepropt. Een kussensloop is halverwege verloren. Niet de aanwinsten, maar het verloren goed wordt genoemd. De sloop is weg en de ontevredene heeft geen zin om deze te zoeken. De goedgemutste vrouw achter de kassa biedt haar eigen beddengoed aan ter compensatie, maar de koopster volhardt in haar beklag. Ze krijgt, meen ik, een korting van 25 euro. Dat is waarschijnlijk het volledige aankoopbedrag.

Ik ontvang een SMS’je van Misja. “Het gaat goed goed hier. Puberaal gedrag van Levi, maar ik neem het voor lief. Ik zie je zo thuis wel.” Ik fiets glimlachend naar huis. Puberaal gedrag. Ik maak me er nog dagelijks schuldig aan. Het jongkind van Misja doet er goed aan om  zich nu zo te gedragen. 80 % van de tijd woont hij bij een vader en een stiefmoeder die ook hun best doen. Maar een kind mag puberaal zijn. Ook al zijn zijn ouders gescheiden, is zijn moeder gek en  zijn stiefvader irritant. Misschien is een puber eerlijker dan de rest van zijn omgeving en maakt dit hem een puber.

Het is avond.  Mies en ik hebben zojuist een frietje gehaald in het centrum bij onze vriend die enkele maanden geleden zijn Volendammer viszaak in onze winkelstraat van de hand heeft gedaan. Tegenwoordig staat hij als uitzendkracht bij de Vlaamse frietboer, een Algerijn die alleen in risico’s denkt. Onze vriend, een goedlachse Marokkaan,  staat daar goed en ik begrijp dat zijn contract inmiddels met twee maanden verlengd is. Hij schept de zakken goed vol en doet er nog een behoorlijke dosis zout bij. “Hier!” zegt hij en hij zwaait ons weg. mies en ik lopen de zaak uit. Ik kom nog een keer terug omdat ik mijn fietssleutel ben vergeten. De kennis kijkt inmiddels weer sacherijnig. Werken is ook niet leuk. Ik vind de sleutel op de gastenbank en groet de kennis (die waarschijnlijk  denkt dat hij alleen is). Hij kijkt verschrikt op en groet me terug. Ik zwaai goedmoedig in zijn richting, maar ik weet dat zijn groet uit schuld geboren is en die van mij uit een gevoel van miskenning. Eenmaal thuis gooi ik de schoenen uit en de zak met friet op tafel. “Vreten maaar jongens”, zeg ik en ik zet een CD’tje van the Spinners op.  Het is zaterdagavond.  Nog een regenachtige zondag en ik mag weer naar het werk!

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized and tagged , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s