Bent u van hier?

imageBrinkmann, zaterdagmiddag 15.45. Het kost me moeite om me bij de kelner verstaanbaar te maken. Het is er een die me nog niet eerder geholpen heeft. Een lange jonge man met een bril met streng montuur die zijn van de gel glanzende haar strak naar voren heeft gekamd, om zijn aanstormende kaalheid te verbloemen. Hij kent mijn vaste bestelling niet. De volgende keer zal hij het weten. Ook zal hij dan weten dat ik niets wens te eten bij mijn speciaalbier. Op de Grote Markt heerst onrust. Daar waar normaal gesproken de zaterdagmarkt is, staat nu een groep mensen op een podium te blèren. Een drummer probeert de trommels aan gort te slaan. Het klinkt als een flinke verbouwing. Haarlem Jazz. Het is deze Randstedelijke drukte die Misjazoon Levi waarschijnlijk heeft doen besluiten ook dit weekend bij zijn vader te blijven. We hadden de jongen, die deze week definitief het moederlijk huis te Haarlem heeft verruild voor het vaderlijk huis in Zutphen, een bezoek aan Sail beloofd om hem dit weekend aan ons te binden. We hebben het verkeerd ingeschat. Hij heeft uiteindelijk gekozen voor de rust van het Zwarte Woud waar zijn vader met het gezin in een huurhuisje de zomervakantie wil afsluiten. Een groter contrast met het drukke Haarlem is amper denkbaar. Een mij bekende serveerster loopt naar me toe met mijn bestelling en wijst naar haar neus als ze het flesje en het glas op tafel van haar dienblad naar de bierviltjes op de lege tafel naast de mijne heeft gezet. “Een valpartij met de fiets.” “Gebroken?” “Nee, ook niet gekneusd. Een jaap op de neusbrug. Gisteren mocht de hechtpleister eraf.” Het meisje lacht, “Daar ben je nog goed van af gekomen. Een val op je gezicht!”

Een valpartij. Een auto staat hinderlijk voor de ingang van de fietsenstalling waar ik in wil. Tussen het gesloten portier en het hek dat dient ter afscheiding van de parkeerplaats is nog net voldoende ruimte om de ingang van de fietsenstalling te bereiken. Totdat de automobiliste de deur opent. Ik rem hard. En wat er vervolgens precies gebeurt kan ik alleen vertellen aan de hand van de ooggetuigenverslagen. “Het was mijn eerste werkdag. Ik liep met mijn collega naar ons nieuwe kantoor. Ik zag hem fietsen en het leek alsof hij voornamelijk naar de grond keek. En plotseling vloog hij door de lucht. Ik dacht nog: “Is dit normaal hier in Amsterdam? Wat staat me verder nog te wachten?” daarna lag hij op de grond en bloedde hevig. Hij had met zijn gezicht de grond geraakt. Toen hij opstond had hij een flinke snee in zijn neus en een gat in zijn broek. De straat zag rood van het bloed. Mijn collega Mohammed liep met hem mee naar de fietsenkelder. Pas later begreep ik dat hij gevallen is omdat hij remde voor de auto die voor de ingang van de fietsenkelder stond. De automobiliste, was inmiddels het andere pand ingelopen.”

“Ik kwam met mijn collega Hassan op onze eerste werkdag naar kantoor. Ik zag een man van zijn fiets vallen, twijfelde geen moment en rende er naartoe. Ik heb mijn BHV-diploma en weet wat ik in zo’n geval moet doen. Het slachtoffer sprak nog met de automobiliste. Hij bloedde flink uit een snee op zijn neus. Er was een hapje vel verdwenen. Ik nam hem mee, hoewel ik zag dat de automobiliste in shock was. We liepen de helling af, parkeerden zijn fiets en in het kantoor stelpte ik de bloeding met de watten die nog in de EHBO-doos aanwezig waren. De man maakte grapjes en gaf een heldere indruk. De neus stond recht en de man gaf aan dat de neus geen pijn deed. Van breuk was -op het eerste gezicht- geen sprake. Ik droeg de verzorging over aan een collega die de man naar de Spoedeisende Hulp van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis bracht.”

“Ik ken Robin als een vrolijke, sympathieke vent. Natuurlijk breng ik hem naar het ziekenhuis als zijn situatie daarom vraagt. Hij was al geholpen door iemand die ik verder niet ken. Een Marokkaan geloof ik. Heb ik verder niets op tegen hoor. Hij had een flinke jaap op zijn gok ja. Er was geen dienstvoertuig voor handen, dus ik bracht hem in mijn eigen wagen. Doe ik verder ook niet moeilijk over. Je laat zo’n jongen ook niet op de fiets gaan. Amsterdam is tegenwoordig een groot doolhof. Alles is eenrichtingsverkeer. Je doet een kwartier over een afstand van drie kilometer. Maar ik vind het verder prima hoor, je hoort mij er verder niet over. Maar ze moeten in de politiek ook wel eens door kijgen dat je niet maar kan blijven automobilistje pesten, want daar worden de mensen ook niet blij van. En daar moeten ze het toch van hebben, van die mensen zoals jij en ik. Maar goed…. waar hadden we het ook weer over?”

imageDat wat betreft de val. Ik drink in rap tempo mijn eerste glas bier leeg en bestel een tweede. De week komt weer voorbij. Dinsdag. Park Frankendael, Amsterdam-Watergraafsmeer. Drie zwervers van middelbare leeftijd met een halve liter Exportbier op de bank. Ik loop met collega Peter mijn dagelijkse lunchwandeling. De zwervers zeggen normaal gesproken niets. “Hee ouwe, klap op je neus gehad?” zegt een zongebruinde grijsaard met oprechte interesse in mijn richting. “Ja, was zijn schuld!” uit ik quasi verbolgen en ik wijs naar de altijd onberispelijk in het pak gehesen Peter, een toonbeeld van correctheid, “Gewoon terugrammen!” zegt de nog bruinere zwerver in het midden. Is het de combinatie van mijn versleten spijkerbroek met mijn morsige zwarte t-shirt die sympathie opwekt bij dit ontheemde drietal?

Woensdag. De wonden op mijn knie, elleboog en neus zijn al prima aan het genezen. Ik breng Misja per trein naar Amsterdam. Ik bestel een kop koffie voor haar bij de Albert Heijn en stap de trein in terug naar Haarlem. Op de terugweg bezoek ik de supermarkt en haal twee kaascroissants. Als ik voor ons huis sta weet ik dat het mis is. Ik ben de huissleutels vergeten. De straat is verlaten. Ik eet voor ons huis een kaascroissant op en sms Misja: “weer een dag naar de maan.” Ik fiets met de hechtpleisters op mijn neus de stad in. Ik zal moeten wachten totdat de kinderen uit school komen. Twee ervan hebben een huissleutel. Gelukkig is het droog. De V & D dan maar. Voor de ingang staat een (mij bekende) zwerver met een rollator. “Heb je twintig cent voor een dakloze?” “nee”, antwoord ik bits en denk: “ik ben zelf een dakloze nu”. Als ik voor 2,50 euro een grote kop koffie heb besteld in de koffiezaak op de begane grond wordt er omgeroepen dat er voor een euro meer een compleet ontbijt te bestellen valt op de zesde verdieping. Ik drink langzaam mijn koffie leeg. Naast me zitten twee bejaarden die wachten op een derde bejaarde. “Sail is vandaag ook weer begonnen he! Niks voor mij die drukte”. Ik probeer me af te sluiten, maar het lukt niet. “Ja, het is druk he. Straks maar naar de zesde voor een ontbijtje”. Het valt me nu pas op dat de bejaarden naast me aan een lege tafel zitten. Ze zitten er en wachten totdat ze compleet zijn om op de zesde een ontbijtje te kunnen scoren. In de kelder heb ik een minuut of tien geleden voor 99 cent een schaar gekocht om mijn pleister bij te kunnen knippen. Ik ben klaar met de lap over mijn neus. Ik knip mijn pleister bij met de telefoon in de selfiestand voor mijn neus. Als mijn koffie op is verlaat ik de zaak en even later loop ik de markt over, de tweedehandsboekwinkel voorbij, de kringloopzaak in vervolgens een antiquariaat in. “U bent naar iets specifieks op zoek?” vraagt de boekenman achteloos. “Nee, ik neus wat rond.” zeg ik, wijzend naar mijn pleister. “Dat gaat vast lukken!” zegt de antiquair gevat terug. Twee minuten later loopt hij naar buiten. Ik voel me alleen. Ook ik loop naar buiten langs alle te duur geprijsde tweedehands rommel en groet de antiquair die met de overbuurvrouw van de zeepwinkel aan het praten is. Verderop ga ik op een bankje aan de gracht zitten. Ik pak een bakje met jongbelegen kaasjes uit mijn rugzak en begin er van te eten. Ik zie de brug die ook bekend staat als de Verfrollerbrug. Om het kwartier verschijnt er een oudere jongen op de bromfiets om het ding openen. Ik kijk om me heen om te zien of er meer toeschouwers zijn. Nee, ik ben alleen.

Vrijdag. Westerpark. Ik bel met de automobiliste. “Alles goed met je?” “Ja, een scheur in mijn broek en wat kosten voor de eerste hulp.” “Prima, maar is ook aan jezelf te danken. Jij mocht daar niet fietsen.”. “Jij mocht daar niet staan.” antwoord ik, als door een wesp gestoken. “Nouja, ik zoek het allemaal wel uit. Volgende week hoor je meer van me.””En anders jij van mij!” zeg ik en ik wens haar een fijn weekend. Ik pak de fiets weer op en ga de heuvel af richting Haarlem. Een krijsende meeuw danst met zijn vleugels gespreid om een geopende vuilniszak waar een zak brood uit steekt.

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s