Mijn vader helpt u zo verder

imageHoewel ik graag op de fiets naar Amsterdam ga is de trein op zijn tijd ook wel prettig. Het is fijn om de trekvaartroute te gaan zonder die eeuwige tegenwind (als ik in de ochtend naar Amsterdam fiets komt hij uit het oosten en als ik terugfiets naar Haarlem is de wind krachtig gedraaid naar noordwest). Bovendien hoor en zie je in de trein nog eens wat, terwijl de fietstocht in eenzaamheid geschiedt. Op mijn vrije woensdagochtend reis ik dikwijls met Misja mee naar Amsterdam CS. Ze zit elke dag in een met medeloonslaven gevulde trein.  Als ik haar met een kartonnen beker cappuccino achterlaat in de brede tunnel die het stationsplein met de IJhal verbindt loop ik met eenzelfde beker de roltrap op naar perron 1. De reis terug heb ik alle tijd om te bedenken met welke zinloze bezigheden ik de rest van de dag zal vullen.

Ik kijk wat rond en fantaseer over de bestemming van die man op de bank schuin tegenover me aan de andere zijde van het gangpad. Een bank voor hem gaat een stel zitten, met de rug naar me toe. Een jong stel. Hij is een lange en (van nature) slanke jongen. Zijn korte zwarte haar staat stijf van de gel, van achteren gezien lijkt het alsof hij  al een klein stukje witgrijs haar op het hoofd heeft, maar een nadere observatie leert me dat het de lichtval is die zijn haar schijnbaar wit doet glanzen. Zij is een goed voorbeeld van Hollands Welvaren, een meid met blond krullend haar in een staart, flinke benen met roze dijen die uit haar te strakke en te korte vaalgewassen spijkerbroekje puilen. Twee jongeren die elkaar kort geleden de magie van de seks in elkanders schoot hebben geworpen en nu geen raad meer weten met elkaar. Uit het gesprek- of beter: de woordenwisseling die voor een gesprek door moet gaan- maak ik op dat de passie zich beperkt tot de vleselijke omgang. “Zal ik nu mijn nieuwe schoenen aandoen?” vraagt het kind met de korte broek  “maakt me niet uit.” antwoordt de slungel met zijn arm om zijn deerne “Als ik de schoenen straks draag als we de trein uitlopen moet je je tempo wel aanpassen aan dat van mij.” “Prima toch”, “Nee, ik doe de schoenen daar wel aan, anders ben ik al moe als we daar aankomen.” “Ja, ook goed.” “weet je, ik laat het even zo, die schoenen wil ik ook niet onnodig verslijten.” De jongen zwijgt en kijkt landerig het raam uit. De trein stopt op station Halfwimageeg-Zwanenburg. Daar stapt een groep van vijfentwintig a dertig padvinders in. Het is de laatste tijd schering en inslag met die padvinders. De groep die nu instapt spreekt Engels in een Cockney-accent. Wie de hopman is weet ik niet, het lijkt erop dat alle jongens en meisjes een jaar of zes- of zeventien zijn. Een kortgeknipt meisje uit de groep durft het aan om tegenover me te gaan zitten en slaat onmiddellijk een boek open en begint driftig te lezen. Ze weet dat ze niet naar vreemde mannen mag kijken en ik weet dat zij dat weet, maar dat ze zich geen zorgen hoeft te maken omdat ik zonder dringende aanleiding geen gesprek begin met een zeventienjarig padvindermeisje. Als ik uitstap op station Spaarnwoude verlaat bovengenoemd stel ook de trein. De twee gaan het brugje over richting Ikea. Het meisje draagt nog dezelfde hakloze schoenen die ze in de trein droeg.

Als ik thuis ben loop ik de trap op naar de slaapkamer. Ik ga gekleed op de dekens liggen en sukkel snel in slaap. Als ik wakker word is het zaterdagmiddag. Het is warm en ik zweet behoorlijk. Ik loop weer de trap af en zet een muziekje op. Roy Buchanan. De door John Lennon beminde bluesgitarist die zich te goed voelde voor de Rolling Stones en die, na een glansrijke, maar onopgemerkte, carrière op 48-jarige leeftijd de hand aan zich zelf sloeg.  Ik ga aan de eettafel zitten en zet mijn ipad in de standaard. Misja is (vermoedelijk) de stad in. De kinderen zijn nog steeds bij onze voormalige wederhelften en hun nieuwe wederhelften, morgen komt het drietal van Misja weer terug. Ik weet niet waar ik moet beginnen met schrijven. Ik weet dat de binnenstad bruist van de evenementen, Haarlem Culinair, Haarlem Bierspeciaal op de Botermarkt. Nog iets verderop ligt het strand waar zojuist het lichaam van een verdronken zwemster is aangespoeld. Ik open een flesje zwaar bier en besluit (hiermee) deze dag niets bijzonders te doen. Op de rand van de tafel ligt een in A4-formaat uitgegeven document over Simon Carmiggelt uit de reeks “Tony van Verre ontmoet”. Op de kaft kijkt een door Jan Kruis geportetteerde Carmiggelt  peinzend  -loenzend haast- schuin naar benee, de in azuurblauwe mouwen gehulde armen over elkaargeslagen, een sigaret tussen wijs- en middelvinger in de rechterhand. Ik blader door het boek en word getroffen door de zwartwit foto’s. Een aan een perstafel gezeten vergenoegde Bomans die zojuist een opmerking heeft geplaatst waar een aan zijn zijde gezeten dames Tiny en Marianne Carmiggelt en Wim van Norden hartelijk om moeten lachen. Foto’s van de vijftigjarige Carmiggelt met zijn moeder, Adriaan Roland-Holst, Annie M.G. Schmidt, Marnix Kappers, kraamklanten op de Albert Cuyp, een vozend stelletje op het bankje voor Carmiggelts huis, een portret door Sylvia Quiel (de latere mevrouw Willink), een karikatuur door Wouter Lap  enzovoort. De foto’s en portretten ademen een prettige sfeer. Misja arriveert. “Ik ben de hele stad door geweest en ik heb vrijwel niets gekocht. Slechts een tijdschrift lieverd!” zegt ze, zwaaiend met het evangelische blad “Het Zoeklicht”. Als ze me wil kussen wend ik mijn hoofd snel af zodat ze niet kan ruiken dat ik zwaar bier gedronken heb. “Al goed, kijk eens naar mijn mooie aankoop!” zeg ik en ik wijs naar het document op de eettafel. Misja bladert door Carmiggelt en legt het werkje  snel weer neer om een ander boekje van tafel te pakken. “De tuinen van Bomarzo. Haasse. Leuk!!!” Op de omslag van het Rainbowboekje prijkt een Willink (copyright Sylvia Willink-Quiel). “Hee, weet je!’ begin ik en ik wil Misja vertellen over het aandeel van Sylvia Willink in beide nieuwe aankopen, maar mijn tong laat me in de steek. Misja, die al vrij snel door heeft dat er met mij geen zinvol gesprek te voeren valt, loopt de trap op naar boven. Ze vult en start de wasmachine en gaat aangekleed op bed liggen. Ze valt in slaap. Ik loop naar de koelkast en zie een groot aantal gevulde flesjes zwaar bier in de groentela liggen. Ik pak er een. En misschien daarna nog wel een. Haarlem Bierspeciaal.

Zaterdagavond, even na zessen. Het koelt een beetje af. De buren zijn aan het barbecuen. De gore lucht van hout en kool dringt via de keukendeur door in de huiskamer. Ik heb Buchanan vervangen door Chicken Shack. Misja slaapt nog steeds. Als ik haar nu niet wakker maak zal ze vannnacht slecht slapen. Ik kijk nog eenmaal naar het portret van de piekeraar Carmiggelt. Een jaar of wat  later zal hij Renate Rubinstein ontmoeten en begint hij een affaire met haar. Had Tiny niets door? Vast wel. Als door een wesp gestoken ren ik de trap op. Misja ligt in bed te lezen. Als ze van haar tijdschrift opkijkt treffen mijn ogen haar droevige blik. “Zin om mee uit eten te gaan?” flap ik er zonder stotteren uit. Misja’s gezicht klaart op. Ze steekt haar kleine hand uit en ik pak hem dankbaar aan en ik trek mijn meisje overeind, de laatste kinderloze avond van deze zomervakantie in.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music and tagged , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s