Hamer en Fluit

image

De stad is zwanger van verwachting. De twintigste Canalparade staat op stapel. Het lijkt of er alleen nog maar homo’s in de stad aanwezig zijn. Bejaarde Britse mannen, zitten in het naast perron 2 gelegen monumentale wachtcafe de Eerste Klas, aan een flinke pint. Twee tafels verderop  zitten twee slecht verzorgde vrouwen met een kelk speciaalbier. Tussen de twee gezelschappen in zit een vrouw met (vermoedelijk) haar zoon, een lange brede jongen in een korte broek waarvan de pijpen net boven zijn knieen eindigen. Een dikke zwarte dos ongekamd haar hangt over zijn schuwe ogen. Ze drinken thee. De jongen kijkt onhandig in het rond en vermijdt de moeder, een forse Margrietmevrouw met streng montuur. Ze kijkt naar mij, waarschijnlijk omdat haar tafelgenoot haar geen blik gunt. Ik zit aan een twee persoonstafeltje naast de toiletten in de wachtstand. Ik heb met Misja op het Centraal afgesproken, maar ze is verlaat. Een lulverhaal natuurlijk. Ze is vast nog ergens bij een boetiek blijven hangen. Haar winkelen is door mij aan banden gelegd, dus nu moet het stiekem. Ik leeg mijn glas, groet de krijsende witgevederde gastheer op zijn stok waaronder een papier hangt waarop “Afblijven!” staat gekalkt. Dat doe ik dan ook maar. Ik loop de zaak uit en ga de roltrap af naar de centrale hal (een  centrale hal, sinds de zoveelste verbouwing kent het CS weer een grote hal…hoe moet je toeristen in hemelsnaam nog duidelijk maken waar de informatiebalie is en waar ze  kaartjes kunnen kopen? ). Ik wandel naar de grenswisselautomaat en haal er enkele  tientjes uit. “Ben bij de Albert Heijn to go” lees ik in mijn schermpje als ik mijn portemonnee in mijn tas stop en telefoon tevoorschijn haal om te kijken of Misja me al een berichtje heeft gestuurd. Ik loop naar de Albert Heijn “Kom, even een foto schat. Kunnen we een jaar lang gratis koffie mee winnen.” Misja drukt me een half gevulde beker cappucino in een beker met regenboogprint in mijn handen. “Even wat opgeklopte melk op je bovenlip lieverd”, ik stop mijn naar pis stinkende wijsvinger in het schuim en smeer wat wit schuim over mijn snor. “Mooi, lachen naar het vogeltje!” Ik ontkom er niet aan en lach vermoeid in de camera. Ik neem ook Misja op de foto. “Nu delen op je facebook, hashtag “gaytogo” en duimen maar.” Misja is een prima regelaar. Als ze wil dat ik gay ben, ben ik gay, als ze wil dat ik me opwerp voor de witte Angelsaksische  medemens hul ik me in wit laken met puntmuts.

We lopen naar het busstation tegenover hotel Victoria en nadat ik mijn glas bier heb uitgeplast in de krul naast de fietstoren en de taxistandplaats, pakken we bus 21 richting Westerpark. We stappen uit bij de Haarlemmerpoort. “Even drank en sigaretten halen bij de AH.” zegt Mies en ze trekt me mee, de busbaan over, het plein op, de Albert Heijn in. We lopen de zaak uit met een plastic tas die op knappen staat. “Laat me die fles rosé maar even in mijn handtas doen, dan moet het lukken.” zegt Mies terwijl ze de fles overplaatst. In de tas blijven een sixpack speciaalbier en een fles prosecco en twee bakjes jongbelegen kaas over.  We gaan de busbaan weer over en lopen langs de poort richting Westpark. “Is het nog ver lopen? Ik heb erg ongemakkelijk schoenen aan.” hoor ik naast me. “Nog tien minuten lopen als je dit tempo aanhoudt.” “Mooi. Martijn wacht ons daar op.” Met Martijn verwijst ze naar haar collega, de sympathieke kok en met ‘daar’ bedoelt ze Westpacific, het populaire terras waar gezien worden belangrijker is dan het genot van het verblijf en de consumptie. Na een (voor Misja) ongemakkelijke tocht over het platgetreden oude gras en het onlangs ingezaaide verse gras arriveren we op het terras. Martijn zit er al. Hij wenkt ons vanaf de zitbank aan een biertafel. Als  hij ziet dat we hem gezien hebben gaat hij weer zitten en neemt een slok van zijn bier. We zetten de platsic tas op tafel. “Dat is voor straks Mat. Doen we lekker in het park.” “Bestel maar jongens. Eerst even hier op het terras. Dit rondje is van mij.” Martijn loopt naar binnen en zet even later een glas speciaalbier en twee vaasjes voor ons op tafel. “Op het weekend!” roept hij en we nemen gulzig een slok. Weekend? Ik moet er nog even inkomen en drink misschien net iets te snel mijn glas speciaalbier leeg. “Kom, we nemen er nog een. Hetzelfde?” en zonder het antwoord af te wachten loop ik met mijn lege glas de bestelruimte in, een enorme hal met een draaitafel in het midden, een open haard ernaast, een enorm aantal stoelen en tafels verspreid over de terracotta gekleurde ruimte, een bar en twee zwartgeschilderder stalen wenteltrappen naar de toiletverdieping. image
image
“Drie bier, waaronder een speciaal exemplaar” grap ik naar de serieus ogende twintiger met baard achter de bar. Ik krijg wat ik wil en loop trots het terras op. “Mooi schat, goed gedaan!” zegt Misja terwijl ik haar vaasje op tafel plaats. Schuin achter ons, aan het plein, zit een heer met zijn kleinzoon. Er staan twee flesjes Coca Cola op de tafel. Daarnaast staan een klein en een groot achthoekig glas met een doorzichtige vloeistof. Ik zie al vrij snel aan de langdradige bewegingen in het kleine glas dat deze gevuld moest zijn met een zwaar alcoholisch drankje. Gin? Wodka? De man, een grijsaard met ziekenfondsbril, een door veelvuldig roken gebruinde snor, gekleed in een hip felblauw overhemd en een lichtbeige katoenen broek, aan zijn slanke lijf gebonden met een zwarte ceintuur spreekt zijn (vermoedelijke) kleinzoon zalvend toe. Zijn stem heeft hij waarschijnlijk in het verleden meerdere malen gebruikt voor een tekenfilm. Een getekende documentaire waar kinderen bij in slaap vallen.  Nadat hij zijn glas, aangelengd met een klokje cola heeft opgedronken loopt hij naar binnen voor een nieuwe bestelling. Even later loopt hij het terras weer op met het kleine glas gevuld met “water”. Als hij dit kunstje een kwartier later weer flikt gaat hij het gesprek aan met zijn tafelgenoot.  “Kun jij een bal hoog houden?” vraagt de man aan zijn verveelde kleinzoon. “Wat is dat?” vraagt de jongen plichtmatig.” Nou, gewoon. Zo.” de man trekt zijn knie omhoog en weer terug en hij wacht af. “Nee.” zegt het jonkje kortaf. “Zij kunnen het wel! Kijk maar” zegt de man en hij wijst naar de voetballertjes op het plein naast het terras. “Doe lekker mee joh!” Bromsnor kijkt weg en de jongen stuift richting plein. Opa loopt wederom naar binnen om een glas te bestellen. Even later komt hij terug en zit aan de bank en ziet tevreden de verrichtingen van zijn kleinzoon. “Ziet er goed uit, wacht opa doet mee.” zegt de man. Hij schenkt snel een scheut cola bij zijn gin en werkt het hele zaakje in no time naar binnen. Kampioen sneldrinken 1973? De oude lijkt herboren en loopt het plein op om het “hooghouden” in praktijk te brengen. Een minuut later taait de man, zichtbaar vermoeid, af en grijpt  zijn handtas van de tafel. Hij pakt de hand van het verbouwereerde jongetje, dat nog volop in het spel zit. “En nu wij?” zeg ik met verwijtende blik richting Misja en Martijn. “Park?” vraag ik ze en neem de plastic zak in mijn hand. “Is goed”‘ zeggen de twee slaafs. ‘Glaasje meenemen?” vraag en ik pak het ginglas van de verdwenen oude terrasgenoot. Misja neemt het glas in haar handtas. Een bierkelk verdwijnt in de tas van Martijn. We lopen het terras af, het park in.

Na een korte wandeltocht belanden we in een door bomen en struiken afgescheiden nis van het park. Twee trommelaars, honderd meter verderop, laten ons horen dat het park openbaar is. Ik baal van het feit dat ik geen reisluidspreker heb meegenomen om de  trommelaars mee te kunnen overstemmen.  Even later houden de trommelaars het voor gezien en we raken in een ongekunsteld en onnavolgbaar gesprek. De tas met bier en wijn raakt langzaamaan leeg en ik breek een, voor een speciaal moment in mijn rugzak bewaarde, voorraad extra zwaar bier (10 %) in zwarte kruiken aan. Misja en Martijn raken op dreef en ik treed terug in mijn -voor dit soort momenten gecreëerde- schulp. Als ik beiden in viervoud zie weet ik dat het tijd is om te gaan. Martijn ligt inmiddels uitgeteld in het gras en Misja nipt aan een achthoekig glas rosé.  “Gaan?” fluister ik naar mijn meisje. “Graag lief.” zegt het meisje aan mijn zij. Martijn slaapt en dat zal hij nog wel even doen. We plakken een stikker met een regenboogvlag met zwarte streep erdoorheen op zijn kontzak. “Duidelijk genoeg toch?….En nu gaan, schat”. We vluchten de stad en pakken aan de rand van het park de bus. Als we langs station Halfweg rijden fluister ik in Misja’s oor: “We zijn bijna thuis lieverd!” Misja draait zich om op haar stoel en brengt een diepe snurk ten gehore. “Nog even volhouden jongen!” zeg ik tegen mezelf en ik kijk door het raam de duisternis in. Even later verdiep ik me in de teksten op mijn smartphone. Mijn voeten zijn met lood gevuld en mijn oogleden ook.

Toch lukt het me om het meisje aan mijn zijde de bus uit te tillen. Eenmaal buiten staat ze op beide benen. “Weet je wie ook dood is?” fluister ik in het oor van mijn lief. ” De zangeres van I never promised you a rosegarden. 67! Nog eenentwintig jaar te gaan schat!’ “LIeverd, kan me niet schelen, op naar bed!” zegt Misja terwijl ze me met haar bloeddoorlopen ogen aankijkt. We drentelen wat even later lopen we kordaat naar huis.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Uncategorized and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s