Draaiorgel in de schemer

image Mijn buienalarm-app brengt driemaal achter elkaar een trilling teweeg op mijn telefoon terwijl ik telefoneer met mijn kinderen, vijf minuten fietsen verderop. De zon doet via de openstaande keukendeur nog een laatste poging de eettafel te bereiken. De regenwolken drijven een moment later het laatste daglicht het huis uit.  Zondagavond, half negen. “Doe de ramen en deuren maar dicht meisjes, er komt onweer aan. Mama zal zo wel thuis komen van het vliegveld. Als er wat aan de hand is bel je!”. “Is goed” hoor ik Jomma zachtjes zeggen. Op de achtergrond klinkt het schelle geluid van een door een tv-luidspreker versterkte bioscoopfilm. Het meisje hangt snel op. De wind waait koude lucht naar binnen. De lucht is nu zwaar betrokken en belooft wat mijn telefoon enige minuten geleden ook al heeft voorspeld. De kat ligt nog ongestoord onder de tuintafel en kijkt me nieuwsgierig aan als ik naar de keuken loop om een blik naar buiten te werpen. In de huiskamer klinkt muziek van het laatste album van de eergisteren in het harnas gestorven 72-jarige jazzpianist  John Taylor. Een hartaanval op het podium, net als bij  Tommy Cooper. In zijn mailbox stond een tiental mailtjes van mij. Een ervan met een groot aantal vragen (de overige met smeekbedes). Nadat ik zijn ex, de zangeres Norma Winstone, had geïnterviewd was het de beurt aan haar bescheiden begeleider. Een jaar of drie geleden informeerde ik een maand of vier achter met de regelmaat van de klok naar de voortgang. “Ik heb deze week een te druk programma, maar het komt goed. “Ik ben redelijk ver nu.” “Maak je geen zorgen, ik ben blij met je vragen en wil er alle tijd voor nemen”. De vriendelijke klavierleeuw uit Manchester wrong zich in alle bochten. En nu weet ik dat de antwoorden er nooit zullen komen.

Ik tik mijn sigaret af aan de rand van de keukentafel. De as valt op de houten vloer. Misja slaapt een verdieping boven me een “korte slaap”. Ze is al de hele dag moe. Sinds 17 juli (jawel, de sterfdag van John Taylor) kijken we vrijwel zonder onderbreking naar “The Borgias”, een in het Engels gesproken serie gewijd aan een familiegeschiedenis die ik al kende via de Scharlaken Stad van Hella S Haase. Vannacht werd het 1.30 voordat ik de televisie mocht uitschakelen.  Ik vraag me af waarom we allebei zo worden getroffen door een (matig geacteerde, slecht geënsceneerde en ook in andere opzichten onvolmaakte) serie ons zo in de greep houdt. Is het de nieuwsgierigheid? Is het de fascinatie voor de macht en het verval dat er op volgt?

Vandaag hebben we, nadat we Jomma hebben achtergelaten bij de bioscoop, het Frans Hals museum weer eens bezocht. We lieten onze museumkaarten scannen en liepen twee keer links de eerste zaal in, nadat we onze tassen in een kluis hadden achtergelaten. Misja’s hakken klakten irritant op de museumtegels. Een enkele bezoeker keek geërgerd om. De meeste bezoekers waren gezegend met een koptelefoon met audiotour. “Hebben we al duizend keer gezien” zei Misja verveeld, haar gezicht half naar mij, half naar het doek van Golzius gekeerd. “Kom, we gaan naar de expositie en dan gaan we in de museumtuin liggen.” We liepen als een dolle stier door de met zorg en kunde ingerichte zalen. In de laatste zaal voor de tuin troffen we de tentoontstelling, “De Muze”, genaamd. Er hingen, o.a. negen etsen van Goltzius. Het doek van Sluijters kon Mies niet bekoren. “De tweede helft hangt in de Hallen, lief” zei ik, ongericht. “Eerst de tuin, dan zien we wel weer.” antwoordde Misja en ze opende met een korte tik op de drukknop de schuifdeuren richting de zonnige binnentuin waar Jacobus van Looy een deel van zijn jeugdjaren heeft doorgebracht. We namen plaats op een bankje, even naast een klassieke muziek verspreidende luidspreker. Misja nam met haar hoofd plaats op mijn ongeduldige schoot. “En nu even niets.” Vivaldi, die bij de meeste mensen gelijk staat aan harmonie en rust, bereikte bij mij het tegenovergestelde. Ik keek ongeduldig naar het klokje op mijn telefoon (de klok op het torentje boven de tuin van het museum stond stil). “Nog vijf minuten en we gaan naar de Hallen schat” “Is goed lief” hoorde ik uit de ongeopende mond van mijn schone slaapster. De tuin was, op ons na, verlaten. Ik keek ongeinteresseerd in het rond. De schuifdeuren openden zich. Een dunbehaarde grijze zestiger met ongemontuurde zonnebril op het vlezige gezicht, een strak felroze blouse om de uitpuilende buik gespannen, een zwakglansende zwarte riem boven zijn door vaalgewassen spijkerstof aan het zicht onttrokken smalle beentjes boven bordeauxrode krimpvrije sokken in door zweet uitgebeten lichtbruine neplederen schoenen liep voorzichtig om zich heen kijkend de tuin binnen. Hij had ons meteen in het oog. Hij keek naar Misja’s ontblote bovenbenen.  Hij liep rechtdoor, naar het hart van de tuin, vervolgens maakte hij een haakse bocht richting het moderne kunstwerk. Hij keek twee keer rechtsom, in onze richting voordat hij stil bleef staan. Ik wist dat de gier zich verlekkerde aan mijn Misja. Ik schoof naar rechts en Misja’s hoofd viel op de houten planken zitting van de bank. “Lul, wat doe je nu?” zei de ontwetende. “Kom, we gaan!” zei ik en liep met vaste pas naar de schuifdeuren. “Hee, wacht op mij!!” zei mijn onwetende meisje onrustig onder het opstaan  en ik wachtte haar geduldig op bij de uitgang. Ik vraag me af hoe lang de voyeur na ons vertrek nog bij het moderne standbeeld heeft stilgestaan.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music and tagged , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s