De verdraaide Roskam en het Schone Schip 

  De wind blies me met een grote vaart van Amsterdam naar mijn woonplaats. Het water van de Amsterdamse Vaart golfde wild in de richting van de Oude Baaf. Voorbij de grote verbindingsweg tussen de Vaart en de Schipholweg werd ik langzaam ingehaald door een brommer met twee jongens erop. Het lawaai van de brommer was al een halve minuut voor het passeren hoorbaar en werd ondraaglijk toen de jongens me inhaalden. Ik maakte een zelfbedacht gebaar, een draaiende beweging van mijn hand met uitgestoken pink en duim, om de temperamentvolle jongens niet al te zwaar te beledigen, maar wel mijn  ergernis over hun asociale gedrag uit te drukken. Ik vraag me af of ze het gemerkt hebben. De Mediterrane ventjes in zwarte jackjes waren aanhoudend met elkaar in gesprek. Ze reden, net als ik, twee keer door rood en namen slechts heel langzaam afstand. Nu pas zag ik dat de brommer werd vergezeld door een tweede haast geluidloze scooter, eveneens met twee jongens erop. De jongens gingen dezelfde route als ik. Bij de Amsterdamse Poort raakte ik ze even kwijt, maar in de Vissersbocht haalde ik een deel van mijn achterstand in. Ik zag de lawaaimakers behendig langs de fietswerende hekjes  de dubbele ophaalbrug schuin tegenover het Teylers museum oversteken. Ze namen de helling even langzaam als ze mij waren gepasseerd. Toen ik even later over dezelfde brug het Spaarne overstak hoorde ik de jongens de Damstraat inslaan. Ik trotseerde de touristenstroom van het Teylers naar de Grote Markt en zette even later mijn fiets tegen de railing van de afscheiding rondom de ingang van de ondergrondse parkeergarage.

Ik had mijn introductiepraatje over de lawaaimakers al klaar, maar Misja was er niet. Het terras van de Waag was vrijwel verlaten. Gelijk met mij arriveerde een kennis met zijn vrouw. Ik bestelde een speciaalbier. Het stel was aan het discussieren over de consumptie. Zij wilde perensap, hij bier. Toen  bleek dat de uitbater geen perensap in de koelkast had staan, koos ze uiteindelijk voor een glas witte wijn. Ik zag op mijn telefoon dat Misja me een bericht had gestuurd. Ze was halverwege. Ik antwoordde haar dat ik het op het terras wel zou redden en dronk een slok van mijn bier. Een bittere afdronk. Maar dat is volgens mij kenmerkend voor de eerste slok. “Ah daar hebben we de dichter” zei een verwarde leeftijdsgenoot in mijn richting. Het was Jaap. Ik had geen zin in Jaap. Ik schudde hem de hand en meldde hem achteloos dat ik op Misja aan het wachten was. Ik weet dat hij een schurfthekel aan Misja heeft en poeierde hem op deze manier af. Eigenlijk is Jaap gewoon een lul.

Voordat Misja arriveerde kwam Jelle voorbij. Jelle is leuk. Hij propte net een muffin in zijn mond toen hij op zijn Postcodeloterijfiets voorbij kwam zeilen. Hij groette me en zei, even voordat hij zijn fiets keerde op de  plek waar een halve eeuw terug nog een kraanmechaniek stond,  “nou, daar kom ik gezellig even bij zitten!”  Ik schudde veertig seconden later Jelle de hand en vertelde hem niet over Misja. Ik bood hem het speciaalbier aan en drukte hem op het hart dat ik de rekening zou betalen als hij maar gezellig bij me bleef zitten.  We spraken over Toscane, Lucca in het bijzonder, en waren geanimeerd met elkaar in gesprek toen Misja haar fiets tegen de mijne zette. “Hee Jel! Jij hier!” riep ze oprecht verbaasd in de richting van de kale knikker van mijn tafelgenoot toen ze onze kant op kwam lopen. Het was broeierig warm. Misja schikte haar blouse en fatsoeneerde het haar. Misja bestelde een droge witte wijn. De avond verliep verder vlot. Jelle was na enkele mooie verhalen en twee speciaalbiertjes vertrokken en Misja en ik vertelden elkaar, steeds uitbundiger, over de dag. Toen de uitbater luidruchtig de tafels op het lege terras aan het verschuiven was besloten we te vertrekken. Een weelderig behaarde oudere meneer van de sportschool liep voorbij en meende mij te herkennen van een andere gelegenheid dan waar ik hem van herkende… Zijn vergissing werd pijnlijk zichbaar op zijn gelaat toen ik over de sportschool begon. ” Oh, daar kom ik in de zomer nooit” zei hij en wenste ons een fijne avond. Vijf minuten later waren we weer bij de Poort. Nu op het terras van de pizzeria. We bestelden een pizza en een karaf rode wijn. Nadat we waren uitgegeten kwam de nieuwe -Venetiaanse- uitbater een sigaret bij ons roken.  “Volgende karaf is van het huis.” Misja en ik hadden eigenlijk al voldoende drank op, maar sloegen het aanbod niet af. Zo werd het donker. De uitbater regisseerde de ontmanteling van het terras op het plein voor de Poort en  gaf zijn jongste hulp aanwijzingen over de te stallen opklapstoelen en -tafels. Er schoof onuitgenodigd een veertiger aan onze tafel. Hij rookte, net als de uitbater, een sigaret. Misja stak er ook nog 1 op. Ik volgde haar voorbeeld. Blijkbaar nodigde onze tafel uit om een sigaret aan te roken

Twaalf uur later werd ik zwakjes wakker met een kater en een gefragmenteerde herinnering aan een goedgeslaagde avond. Aan de hand van de verfrommelde kledingstukken en gebroken objecten naast mijn bed kon ik het laatste uur voor de coma reconstrueren. Mijn voorhoofd brandde lichtjes tengevolge van de zon die er een nazomeravond lang op geschenen had. Misja werd gelijktijdig wakker. Ik maakte uit haar zoetgevooisde vertelsels op dat we de avond in vrede hadden afgerond. Geen excuses dus. Ik richtte me op en verliet verdwaasd het bed om koffie te halen…en om te controleren of ik mijn tas met inhoud veilig had thuisgebracht. Ik liep de trap af en herinnerde me plotseling dat ik een dag eerder op het Waterlooplein een gedenkboek ter ere van de 75e verjaardag van H.  Hofland (een mooie verzamelbundel met een puntig voorwoord van Hugo Brandt Corstius) had laten liggen in de -onterechte- veronderstelling dat ik geen cent meer in mijn portemonnee meer had. Ik zette koffie en een CD van Lo Bohème van Puccini (op). Ik riep “Misja?” naar boven. Ze reageerde. Ik herhaalde, maar nu antwoordde ze niet. Ik liep, nadat ik mijn rugzak had gecontroleerd en een plas had gedaan, met twee kopjes koffie terug de trap op. Misja nam met een vragende blik haar koffie aan. “Wat is  er? Je weet dat ik niet antwoord als  je vanaf beneden naar me loopt te schreeuwen.” Ik nam schouderophalend plaats in het warme nest en wist dat ik een rustige ochtend zou hebben als ik me koest zou houden. Door de kier van de ongesloten slaapkamerdeur klonken de aria’s van de componist uit Lucca.  “T’Amo!” Mimi!””Quel bravaccio a momenti cedera!”….”Ja, en voor de bijl gaat hij, deze bedrieger!” dacht ik terwijl ik een suikerzoet slokje koffie naar binnen werkte. “Dank je!” zei Misja, die van al deze rancune niets wist “Alleen jij kunt zo lekker koffie zetten!”. Ik wist dat ze loog.

Enfin. Voorbij …voorbij. “De dood komt in  drieën” placht men wel te zeggen. Deze week verloren we de saxofonist Ornette Coleman,  de acteur Christopher Lee en de ontwerper Paul Bacon (platenhoezen Thelonious Monk).

Zaterdagochtend/ bijna -middag. “Wat ga jij doen vandaag?” vraagt Misja mij. “Ach, ik zie wel.” antwoord ik. “Ken je de journalist Hofland?” vraag ik aan mijn meisje. “Natuurlijk ken ik die zuurpruim!” zegt ze  en ik rol me op mijn  linkerzij. “Mooi zo! Ik heb hem gisteren laten liggen op het Waterlooplein!” werp ik in haar richting en ik pak een boek van de stapel op het nachtkastje. “Tegen de barbarij” van Herman Pleij. ” A mezzodi!” klinkt er van benee….ja, twaalf uur inmiddels… nog even en ook deze dag is voorbij.

Advertisements
This entry was posted in jazz, music, Uncategorized and tagged , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s