Schaamteloos ongewassen

 

 De nacht alleen is mij slecht bevallen. Om het kwartier raakte ik met mijn linkerarm de verlaten dekens naast me om me vervolgens weer teleurgesteld in een andere richting te draaien. 

In de ochtend word ik al vroeg wakker. Ik heb geen zin om een boek te lezen en pak de telefoon. In St Anna doet Misja dat ook. Ik heb meteen contact en verheug me op haar terugkomst. Ook Misja meldt dat ze slecht geslapen heeft. Dat stelt me gerust. Ik verlaat het bed en ga naar de keuken om een kop koffie te zetten en een ei te koken. Aan de tafel in de woonkamer , die nu veel groter lijkt dan als het huis gevuld is,  ga ik lusteloos in het boekje met dienstregelingen van de busmaatschappij lezen in de hoop dat deze bezigheid me uitdaagt  straks hoogwaardiger leesgerei uit de kast te trekken. De katten zeuren om aandacht en eten. Ik heb nog maar twee patékuipjes over. Dat is niet veel voor een hele dag. Het is eerste Paasdag en de winkels  zijn gesloten maar daar hebben de katten nu geen boodschap aan. Straks maar even naar de supermarkt bij de mega-bioscoop. Die is immers elke dag open.

Ik zet een CD op. Een recensie-exemplaar, een juweeltje  van een Italiaanse in Parijs woonachtige gitaardocent. Een van zijn leerlingen heeft me een week of twee eerder gevraagd of ik zijn debuutalbum wil recenseren. Als ik de albums naast elkaar beluister kan ik nog niet zeggen dat de pupil zijn meester heeft overtroffen, maar beiden verlichten de lusteloosheid die is ontstaan door Misja’s  afwezigheid. Ik pak mijn ipad en ga door waar  ik gister gestopt ben.  “Toen ik na een barre tocht uit het hoge noorden thuis kwam lag er op de mat wat gerafeld foldermateriaal, een deurwaardersexploot en een in envelop met bubbeltjesplastic ingepakt CD’tje, een recensie-exemplaar.” Ja, leuk begin van een blog. “Ik gaf de katten te eten en zette het CD’tje op. Ik las het drukwerk en wierp de exploot bij het oud-papier.” ….of toch niet? Ik schrijf liever in het heden. En dat van die deurwaardersexploot en die folders slaat nergens op. Ik pas de tekst aan. “Ik geef de katten te eten en zet een CD’tje op. Ik pak de kranten van vrijdag en zaterdag en ga ze uitgebreid aan de eettafel zitten lezen. Iets waar ik normaal gesproken nooit tijd voor neem. Ik erger me aan het zaterdagschrijfsel van Felix R. (en dat komt zelden voor) en geniet wederom van de ingezonden brieven. Op de voorpagina staat een foto van een auto  in Teheran met drie juichende  meiden erin. Met hun wijs- en middelvingers uitgestrekt, gebaren ze het V-teken. Ter rechterzijde van de auto is een zwarte BMW zichtbaar met een kentekenplaat met Arabische tekens erop. Zou het de binnenlandse veiligheidsdienst die  de meiden kort nadat de foto geschoten is inrekent en in een kille cel verkracht?  Daaronder het hoofdartikel “Graaien kan niet meer discreet”. Jammer dat dat nieuws is. De buurtkinderen zijn buiten voetbal aan het spelen. Plotseling verstoort de dorpsgek met zijn motor de rust door met  100 kilometer per uur de straat in te rijden. In de bocht waar wij wonen geeft hij gas bij. Ik kijk uit het raam en zie de kinderen geschrokken de kant uit  kijken waar de man heen is gereden. Ik hoor de motor nog steeds en als ik net weer ben gaan zitten hoor en zie ik de motorrijder met hoge snelheid tegen de rijrichting  in terugracen. Ik heb zin om hem in elkaar te slaan. De kinderen zijn nog steeds ongedeerd als de rotzak wederom de straat (deze keer in de juiste rijrichting) als racebaan gebruikt. Ik zie de vaders van de nog-net-niet-slachtoffers over de straat richting het  huis van de malloot gaan. Ik ben gerust. Ik hoef nu even niets meer te doen en weet als ik vijf minuten later de kalme hoofden van de vaders  door het raam weerzie dat het is afgelopen met de waanzin van de motorcourreur van nummer 7, 9, 11 of 13 (daar ergens moet hij wonen). “

“Het is tijd om te gaan. Juraj Stanik in het Bimhuis. Het optreden van zijn trio  is de reden dat ik deze dag al naar het westen ben teruggekeerd. Ik zwaai door het raam naar de buren die in de huiskamer nog napraten over het incident met de motormuis. Met de bus ga ik naar Halfweg en daarvandaan neem ik de trein naar Amsterdam.  Zoals gebruikelijk ben ik drie kwartier te vroeg. Met een kelk kabouterbier wandel ik  het jazzcoloseum in  naar de  plek onderin, direct achter de pianist. Ik lees wat bijdragen van S. Montag. Een kalende man met een onbestemd gekleurde spencer en dito gekleurd overhemd, bordeauxrode corduroybroek, primair gekleurde geblokte sokken en zwarte suede schoenen met witte ronde veters gaat aan gene zijde van het pad ter rechterzijde naast mij zitten.  Ik zie in  mijn ooghoek  dat hij mij aankijkt. Ik lees driftig verder. Naast de man verschijnt er een gezin, een ouder echtpaar met hun volwassen zoon met het syndroom  van down. De jongen vraagt aan zijn buurman of hij in het programma aan het lezen is. “Nee, dit blad gaat ergens anders over” antwoordt hij afgemeten. Even later neemt de tante plaats, een vrouw met grijs halflang geknipt stijl haar, uilenbril en parelhalsketting, een exacte kopie van de moeder van de jongen (die op zijn beurt qua kleedstijl opvallend veel op zijn vader lijkt).  Ook zij heeft door dat de obekende naast haar aann het lezen is. “Ah, u leest over Bridge?” “Ja, ben ik zo gewend. Is een oud nummer, maar dat maakt me niets uit.” Ik begrijp nu waarom de man niet de moeite heeft genomen de jongen te vertellen wat hij aan het doen was.  Als ik mijn kelk geleegd heb verschijnt de verwarde pianist, een  bebrilde, mollige mid-veertiger, ouwelijk gekleed in een lichtgrijze, te ruime blazer, een (behalve de huidskleur) weinig verhullend hagelwit overhemd. Zodra hij me ziet kijkt hij weg. Hij neemt plaats, knikt naar de drummer en zet geheel onverwachts, en misschien wel ongepast, in met een ballad. De jongen, die een van de beste plekken vooraan bezet gaat volledig op in het (ik moet zeggen, zeer verdienstelijke) drumspel.  Hij imiteert het geroffel terwijl zijn vader stoïcijns naar de pianist kijkt. “Dit vind ik nou echt mooi!” roept de jongen vanaf de zijlijn als Juraj zijn buiging maakt.  De pianist knikt verlegen naar de jongen en zegt (in het Nederlands, terwijl hij de rest van het programma in het steenkolenenengels aan elkaar lult ): “dat vind ik fijn!”. De jongen gaat, welopgevoed als hij is, weer netjes zitten en kijkt trots naar zijn vader terwijl Stanik inzet met Monk. Helaas zijn de solo’s minder Monkiaans. Stanik is duidelijk van de lyrische Bill-Evansschool, al denkt zijn drummer, Joost van Schaik (winnaar van de Laren Jazz award 2008), daar misschien anders over. In de pauze krijgt de jongen van zijn tante “Ik krijg nog geld voor mijn verjaardag!” een briefje van twintig mee om voor een CD. Even later komt hij terug met de zwarte “Wow”-getitelde geluidsdrager, die hij boven bij de verkoopbalie heeft gekocht. Hij blijft er de ander helft van het concert mee zwaaien. Het belemmert hem in het imiteren van roffels van Van Schaik”

Misja is inmiddels thuis en leest mijn blog. “Gaat dit niet teveel over jazz lieverd?” Ik pak een DVD-box uit de kast  “De Borgia’s! Ja, leuk!”. “Tweede Paasdag maar opnieuw proberen” verzucht ik en  ik druk op “publiceren”.

http://youtu.be/eIim06Bn_4Y

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s