De Klaas van Haroen

 

Witte donderdag, begin van het Triduum Sacrum. Ik heb mezelf een dagje vrij van mijn werk gegund. Alhoewel, echt vrij voelt het niet. Er kan elk moment een witgoedreparateur voor de deur staan. De vaatwasmachine, een onmisbaar onderdeel van ons huishouden, is kapot. Hij spoelt niet meer door. Er ligt een laag water onderin en het rode lampje met het kraantje aan de linkerzijde brandt. Een veeg teken. Het lampje brandt namelijk nooit. Ik heb gisteren een adres van het internet geplukt en per mail het euvel geduid. (een kwartier later ontvang ik een mail terug van ene  Samantha. “De monteur zal tussen 9 en 12 langskomen”). Na een onrustige nacht (je weet toch niet wat voor persoon je in huis haalt?)  stap ik vermoeid uit bed. Ik durf  niet onder de douche te gaan uit angst dat de monteur juist op dat moment aanbelt. Ik lees op mijn  ipad mail van mijn werk en drink te veel koffie.  In een ontbijt heb ik geen zin. Op het moment dat ik bakje acht wil halen, even voor half twaalf, wordt er aangebeld. Een kalende man van middelbare leeftijd met een onpersoonlijke bril bestaande uit goudkleurig montuur en glazen met een beperkte sterkte, een windjack en een te ruim zittende vale spijkerbroek. Hij ruikt naar zware shag. Achter de man  staat een bestelauto met de naam van het bedrijf dat ik gisteren heb gemaild. Ik reik de man mijn hand, wat eigenlijk vrij onhandig is aangezien zijn rechterarm en -hand gevuld zijn met witgoedreparatiezooi en een blocnote. Hij maakt zijn rechterhand vrij en schudt me onwillig de hand. “Ik heb van alles geprobeerd heer, maar het wil maar niet lukken de machine weer aan de praat te krijgen. Koffie?” De man loopt door, mijn geleuter ontwijkend. “Nee, al genoeg gehad. Dank, ik red me wel.” en hij knielt zich voor de roestvrijstalen deur van de vaatwasser. Ik neem plichtmatig plaats op de  poef in de woonkamer. De zon schijnt in mijn nek. Op het, vanwege de felle zon, slecht zichtbare scherm van mijn ipad behandel ik mails van mijn werk. Ik hoor de man zuchten en steunen van “troep” en “rotzooi” en nog meer ergernis. De teller tikt door en blijkbaar is de oorzaak van de verstopping nog niet ontdekt. Na een kwartier opent hij de tuindeur (en betreedt een tuin vol van troep en rotzooi, twee volle, ongesloten, met etensresten gevulde, half omgevallen vuilniszakken). Later blijkt dat hij er een emmer heeft gepakt. Hij sluit de deur onvoldoende zodat deze continu tegen de stalen strip langs de deurpost slaat. Ik wil al bijna ingrijpen als de man vloekend de deur dichtramt en met de klip sluit. Na vijf minuten loopt hij de kamer in. “Opgelost.”, zegt de man van weinig woorden. Hij wijst me naar de prop oranje vet dat in het laagje water in de emmer drijft. ” De factuur wordt nagestuurd”, laat hij zich in het voorbijgaan ontvallen. Een hand kan er niet meer van af. Hij kijkt mij meewarig aan “Lul zonder structuur” hoor ik hem denken en weg is de partij van de arbeid in zijn bestel.

Ik loop naar mijn bed, ga liggen en val in een bodemloze slaap. Tien minuten later word ik tomeloos wakker van het geruis van mijn wekkerradio. Kinderen van school halen. Ik fiets en tref, nog slaapdronken, een leerkracht. Hij (een klein uitgevallen Anton Geesink) stelt zich vrolijk voor. Mijn kleverige hand drukt zijn kurkdroge kolenschop. Hij is me al weer vergeten als ik me aan hem voorstel. Ik fiets snel  verder op mijn krot. Ik rijd zonder kinderen terug. Ze zijn zelfstandig naar huis gefietst.  Als ik de huiskamer betreed zie ik twee jongens achter een scherm. Ze groeten me allebei met “haai” zonder op of om te kijken. Ik smeer en serveer het gezelschap een boterham en loop terug naar bed om een poging te doen mijn slaap te hervatten. Tijdig wek ik mezelf met de gedachte dat ik naar de sportschool moet. Ik loop naar beneden. De jongens zijn al weer vertrokken. Ik neem de fiets en ga, al scheldend, tegen de westerwind in naar de Burgwalbuurt, de enclave waar Kenau is geboren en getogen, langs de Amsterdamse Poort waarvandaan het wijf, naar verluidt, haar kokende pek in het smoelwerk van de Spanjaarden heeft gedonderd. Ik salueer de rood- en geelgeblakerde zwerver met zijn plastictas vol halve liters budgetbier en fiets met een noodvaart naar de gracht en verder. In de sportschool, ik kan u er uren over vertellen, val ik met de neus in de boter. Er heeft zich net een groep aquajoggers verzameld. Vijf dames van zekere leeftijd en twee jongemannen in tijger- en pantertenue  kletsen  zich warm, terwijl de juffrouw, een Creoolse dame met arrogante blik, welgevormde rondingen onder haar zwarte badkleding, het wildgekrulde haar strakgetrokken totaan haar wulpse staart, rondjes loopt over de entresol. Als de laatste deelnemer van de training het  pand heeft betreden loopt de dame de oefenzaal op de eerste verdieping in, mijn zicht uit. Het gezelschap volgt haar gedwee. SM voor beginners. Een bebrilde, twee meterlange man met een uitdrukkingsloos scheefgetrokken gezicht, loopt naar binnen als ik aan de rekstok hang. Als hij voorbij loopt zie ik dat hij een enorm gevaarte met zich meedraagt  in zijn ruime joggingbroek. Ik pers er “Goeiedag” uit, terwijl ik mijn gewicht omhoog hijs. “Goedemiddag” zegt de man terug, en kijkt me bewonderend aan. Even later schuivelt er een door onpeilbare ellende getroffen man naar binnen. Hij kan niet kijken, niet praten en hij beweegt gekromd en in slowmotion zijn rollator naar binnen. Zijn keurig gekamde geelgrijze haar krult tot halverwege over zijn gepijnigde gelaat. Hij nuttigt een bak automatenkoffie “Als hij maar niet de trap op hoeft” denk ik halverwege een buigoefening. De man wordt warm onthaald door de Marokkaanse stagiar. Hij brengt hem naar de kleedkamer en loopt met hem mee om -weet ik wat- te doen. De stagiair roept “Nog vijf minuten, dan ben ik bij je!” naar de moegerende, grootgeschapen brilleman op de loopband. Ik besluit een minuut of tien daarna dat het voor mij tijd is om te gaan en loop de kleedkamer in op het moment dat de stagiair deze met zijn slachtoffer verlaat. “Ik ben klaar voor vandaag” meld ik mijn Algerijnse vriend Nacir, een voormalig kampioen hardlopen. Hij kijkt me met zijn vermoeide ogen aan en overhandigt me mijn pasje in ruil voor de kluissleutel. Ik ren de deur uit, de hagelbui in, mijn fiets op.

Witte Donderdagavond. Morgen Goede Vrijdag. Het weer zal minder onstuimig worden. Ik eet genadebrood en de kinderen eten chips. Amen.

http://youtu.be/brqxEdwsTQs

Advertisements
This entry was posted in Persoonlijk, Uncategorized and tagged , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s