One size fits all (stopt automatisch)

 

(vervolg)

De volle bus rijdt langs de ontwikkelgebieden van Amsterdam Oost, de Indische buurt van voormalig Zeeburg. Bij elke halte komen er meer buurtopbouwwerkers bij. Een enkeling wordt het te druk en verlaat de bus. Omdat hij bij al deze haltes behoorlijk wat tijdverlies lijdt scheurt de chauffeur vervolgens met een enorme vaart naar de volgende halte om daar subiet te stoppen. De pubers, die in het midden van het gangpad staan, gillen het uit. “We maken nu een klein ommetje, we gaan via de Noordpool naar de Canarische Eilanden en dan door naar Torremolinos!” “Ah die fucking buschauffeur is net meester Ruud, dezelfde suffe humor.” zegt een volwassen opgemaakt halfbloed meisje met lang krullend haar over haar zwarte windjack, haar smartphone stevig vastgeklemd in haar knuistje. We stoppen bij de kerk schuin tegenover de scheepswerf  “Wie nog wil biechten moet er hier uit. De pastoor wacht jullie op met open armen!”  roept de Surinamer met een Amsterdams accent om. De moegeslingerde pubers zijn opvallend rustig. Een enkele volwassene durft weer te grinniken. Het Centraal Station is in zicht. Helaas duurt de rit vanaf het Scheepvaartmuseum totaan de bushalte tegenover  de Sint Nicolaaskerk vanwege alle stoplichten en overspannen reagerende automobilisten ruim tien minuten. “Ik word gek hier, kom geef me je telefoon” zegt een Hindoestaans meisje met spottende blik tegen haar klasgenoot. Het andere meisje geeft zonder commentaar haar telefoon. Er wordt een selfie gemaakt. Ik zie op het schermpje  mezelf achter het  meisje staan. Ik kijk gelaten de camera in. Het is niet de eerste foto die ongevraagd van mij wordt genomen. “…man met zwarte jas….leraar Nederlands….” hoor ik ze zeggen. Als ze het over mij hebben, dan zitten ze er naast, maar ik heb geen zin om dit mogelijke misverstand recht te zetten. Bij CS stappen mijn kwelgeesten uit de bus. Ik blijf staan tegen de harmonicawand, want ik wil er de volgende halte zonder al te veel gedoe uit. “Fuck! Ik heb wel tentamen zo! Moet ik Fucking weer terug naar SciencePark!” zegt een slordig gekleed meisje van rond de twintig tegen de “nerds” die haar vergezellen. “Alle tentamens zijn vanwege de stroomstoring  uitgevallen! Kijk maar, net gemaild!” roept een jongen schuin achter het gezelschap en hij toont zijn telefoon aan de studente.  Ze kijkt niet en antwoordt: “Ja, die anderen wel, maar ik doe een double Bachelor, ik doe ook psychologie!’ zegt het meisje “dat tentamen gaat gewoon door!” Ze pakt haar telefoon en begint driftig te tikken. “Ik zal ze zeggen dat ik het rijkelijk  laat vind dat ze dit nu pas melden”. Ik begin een beeld te krijgen van het gezin waarin ze is opgegroeid. Het meisje praat vast haar moeder na. Even later stapt ze de bus uit.

Op de bushalte op het stationseiland staan we wederom stil. Ik stap bus 22 uit en loop naar de halte van bus 21 even  verderop. Ik sta redelijk vooraan en weet een zitplaats te bemachtigen. Op de stoel achter me, waarvan de leuning tegen de mijne is geplaatst neemt een omgebouwde man, een graatmagere  twee meter lange Surinamer met halflang platgewalst kroeshaar en een zwartkatoenen broek over de platte jongenskont, plaats. Als de bus eindelijk  gaat rijden  krijg ik de haren regelmatig in mijn  nek. Het voelt niet onprettig, maar ik gruw bij de gedachte dat het wezen achter mij ooit een man was die waarschijnlijk net als ik na het dagelijks ontwaken in zijn schaamstreek graaide en vervolgens zijn vingers besnuffelde. Bij het Bos en Lommerplein loopt het figuur de bus uit. Ik heb per telefoon gelukkig nog steeds contact met Misja. Halte Plein 40-45 stap ik uit en wacht tot  de bus naar Haarlem arriveert. “Ja, ken ik niks an doen! De bus komt over tien minuten. Jaja.  Ben met veel geluk om half twee in Zandvoort.” zegt een roodharige (type bouwvakker) dertiger met een oorbel in. Als hij de telefoon weer in zijn broekzak heeft gestopt ijsbeert hij vloekend over de stoep. Ik negeer zijn geagiteerde blik. Ieder zijn strijd.

Bus 80 richting Haarlem is zo goed als vol. De treinen rijden niet vanwege de stroomstoring.  “Kom erin,” verwelkomt de chauffeur, en vervolgens roept hij “in het midden een beetje doorschuiven!” naar achteren. Ik beland ter hoogte van een gezelschap bejaarde Amerikanen, een man met flinterdun grijs haar over zijn hoogrode hoofd, twee blauwe, waterige, ogen kijken mijmerend het raam uit. Ook zijn paarse, wrattige, neus is voorzien van grijs haar. Hij draagt een bruinlederen jack. Naast hem zit een David-Niven-achtig figuur. Een dun mannetje in passende regenjas met fijn snorretje onder een hautaine blik die wordt voortgebracht door twee zwakblauwe ogen, voorzien van twee flinterdunne pupillen. Tegenover de heren (die tegen de rijrichting in rijden) zitten twee soortgelijke dames. Ze luisteren gedwee naar het geleuter van hun (vermoedelijke) partners. We rijden over de Haarlemmerweg richting Halfweg. “Look at this nice canal” bazelt Roodhoofd. Hij kijkt naar het watertje aan onze rechterhand waar de westerwind sterke golven in teweeg brengt. Aan de linkerzijde zie ik de wijk waar de mocromaffia tot voor kort nog enkele weken geleden heeft huisgehouden. “Ze zouden eens moeten weten, die sukkels naast me”, denk ik.  “I think we are leaving Amsterdam now” zegt een van de dames. Ik hang aan de stang boven hun hoofd. Ik kijk op mijn telefoon en lees het laatste nieuws over de stroomstoring. De storing is inmiddels verholpen, maar de ellende op het spoor zal waarschijnlijk nog tot het einde van de dag voortduren. “Arme Misja”, denk ik. Mijn meisje zit nog nabij het Amstelstation in een toren waar de stroomstoring geen  vat op heeft gehad. Rond 12.45 stap ik uit bij de halte nabij huis. In de straat hoor ik een boormachine en klinkt het geluid van een radio, er brandt licht. Er is dus weer stroom hier. Drie minuten later draai ik mijn sleutel  in het gat.   Op de bank tref ik Leef. Hij heeft rode konen en een frisse blik. “Heb je er nog last van gehad, die stroomstoring?” “Ja, even. Een half uur of zo. Mijn spel viel uit.” “Mooi, maar nu doet alles het weer. In Amsterdam is de chaos niet te overzien. Wees blij dat je in Haarlem woont lieverd.” zeg ik tegen de herstellende. “Wil je wat drinken? Biertje?” zeg ik tegen Leef. Hij lacht. Ik lach terug. De dag is nog lang niet voorbij. Ik loop de trap op naar de slaapkamer. De wekkers knipperen op “2:58.”   Ik ga in bed liggen en val in notime in een rusteloze slaap.

http://youtu.be/oNr7fS7hxJw

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized and tagged , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s