De man die gek werd van zichzelf en vervolgens onbedaarlijk in de lach schoot

in Roma

Misja

“Heeft u een piano hier staan? Ik kan mooi piano spelen weet u?” Een oudere man met een bevlogen blik in zijn scheve oogjes, kunstenaarlang grijs haar onder zijn donkerblauwe schippersmuts, een beige lange jas en versleten bruine schoenen onder zijn rommelige, te ruim zittende, ribfluwelen broek betreedt het stemlokaal waar het ROC een hoekje voor heeft beschikbaar gesteld.   Een bescheiden, lage ruimte ingeklemd tussen de vergaderkamer, de intakebalie, de repro en de koffiehoek, met uitzicht op de megalomane hal. De stemhokjes zijn voor het raam geplaatst, zodat het binnen schemerdonker is.  “Ik heb ook de piano in de  Tweede Kamer in onderhoud. Daar speel ik ook regelmatig op. En weet U wat meneer Rutte tegen me zegt aan het einde van de dag?” (de man wacht niet op het antwoord) “It was a fine day!”zegt hij dan en hij neemt er nog een terwijl ik voor de muzikale entertainment zorg. Maar, heeft u hier eigenlijk ook een piano?” “Dit is een school, het zou zo maar kunnen dat hier ergens een piano, of zelfs en vleugel staat, maar ik ben van het stembureau. Ik ben hier, net als u, te gast. U zou het de concierge, daar aan de balie verderop, kunnen vragen. Heeft u ook behoefte om hier te stemmen?” vraag ik knorrig. De man lijkt zich nu pas te realiseren waarvoor hij gekomen is en rommelt wat in een plastic tas. Hij komt iedere stemdag verwarder binnen. Ik hoop dat hij snel ophoepelt. “Ja, laat me eens kijken. Ja, hier.”  Hij legt een gevouwen, ongeopende vensterenvelop op tafel. Ik open de envelop en haal de twee kiespassen eruit. Ik controleer zijn id-kaart. 1939. “Mocht ie willen, de piano van de Tweede Kamer stemmen.” denk ik in mezelf. “Eenmaal waterschap en eenmaal Provinciale Staten” roep ik naar mijn collega die de stembiljetten uitrijkt. De man opent de biljetten gelijk. “Ah, Den Uijl staat er ook op. Xander?”  “Ja, zijn zoon. Uw stem uitbrengen in het stemhokje aan uw rechterhand.” informeer ik hem in de hoop dat hij snel die kant uit gaat. In het hokje zet hij zijn muts af en hij steunt op het stalen stemblad dat is ingeklemd in de fragiele constructie van het stemhokje. Hij draait en hij gromt en hij kraait als een bezeten kunstenaar onvertaalbare  tekst uit. Als hij eindelijk zijn keuze heeft gemaakt loopt hij zwalkend het stemhokje uit en werkt hij met veel omhaal de biljetten in de gleuf van de stemkliko. “Weet u dat ik de piano’s in de Tweede Kamer stem? Heeft u er hier ook eentje? Dat ben ik zo gewend.” Ik wijs hem met een duivels genoegen naar de concierge. “Ik dank u zeer.” zegt hij. Ik registreer dat hij geen muts op zijn hoofd heeft. De oude loopt naar de balie verderop. De concierge heeft hem al meteen in de smiezen en verwijst hem naar de “pandcoordinator” (hoeveel personeel heeft een ROC eigenlijk in dienst?). De pandcoordinator arriveert vijf minuten later met een onuitgeslapen blik. Hij hoort de uitvreter ongeduldig aan en antwoordt: “Ja, dat zal best, maar ik begrijp uw vraag niet zo goed. U gaat een school binnen en u wilt piano spelen? Ik heb geen tijd,moet zo naar de derde verdieping. Kijk rustig boven in een van de lokalen of u daar een piano vindt. Ik wens u een  fijne dag verder.” Beide mannen gaan uiteen, de een naar buiten, de ander naar de lift. In het middelste stemhokje ligt een donkerblauwe muts.

Het was weer een drukke week. Op mijn vrije dag zat ik in het stembureau. Ik snakte naar het moment NU, Brinkman 17:00 uur. Een glas speciaalbier aan mijn zijde, Misja aan de tweepersoonstafel tegenover me die moegewinkeld de krant leestKenny Burrell op mijn koptelefoon, stuntelige serveersters aan de tafel en provincialen aan de lange tafel tegenover me die ons -werkelijk ongeneerd lang- aankijken alsof we uit een  Hollywoodfim zijn weggelopen. Dat belooft nog wat, als we straks op RTL-5 te zien zijn geweest. Misja zinspeelt op de aanschaf van een burka. Misja vertrekt a haar glas cola te hebben geleegd weer stadinwaarts om boodschappen te doen.

Ik  heb mijn nieuwe aankopen, een werkje van Komrij (Met het bloed dat drukinkt heet) en Oriana Fallaci (Interview met de geschiedenis) op de tafel uitgestald,  naast mijn door zweet doordrenkte handschoenen. Een gezin, bestaande uit een man, een vrouw en hun drie welgeklede en -gekapte jongens en meisje,  schuift aan de  lange tafel twee meter verderop. De man zit een kwartslag gedraaid van de vrouw en kijkt vanaf de entresol de markt op, meestal met een van de kinderen op schoot. De vrouw, met haar rug naar me toe,  kijkt regelmatig over haar linkerschouder mijn richting uit. Ze heeft blond krullerig haar, een ondeugende blik en een slank postuur. Een enkele keer kijk ik op van mijn ipad en ontmoet ik steevast haar blik. Ik word nerveus. Als het moment is aangebroken dat het gezin van tafel gaat (de kinderen eerst en de ouders later) kijk ik nog even op. Het stel staat bij de trap. De vrouw kijkt wederom over haar schouder in mijn richting. Ze daalt de trap af. De man, een kortgeknipt heethoofdje met venijnige ogen, die heeft gezien dat zijn vrouw bevallig naar mij keek, kijkt me pissig aan. Ik draai mijn hoofd om en ontferm me over mijn ipad. Het was weer een drukke week. 

Een half uur later is het avond. De doorzonwoonkamer wordt zwak verlicht door het schemerlicht. Mies zit met haar zus, tante Tas, aan de lijn. Ik draai Ellingtons “Azure” in verschillende versies (Sarah Vaughn, Keny Burrell, Tony Bennet, Sir Roland Hannah, Omer Klein) en hoor op de achtergrond van het geluid van de vaatwasser. Misja bespreekt haar ellende en kijkt af en toe geergerd mijn kant uit. Ik weet niet  waarom. Misja legt de telefoon weg en schakelt mijn muziek uit en de tv aan. Het boek van Komrij ligt op zijn  kop naast me. De getergde blik van Komrij dwingt me om het boek open te slaan. “De mens is een bijzondere machine, ook al huist er een lomperik en een beest in”. Ik leg het boek weemoedig terzijde en pak het andere en begin te lezen  in het Interview met Kissinger. “Wat telt is in hoeverre vrouwen deel van mijn leven uitmaken, of ze mij volkomen in beslag nemen. Nou, dat doen ze allerminst. voor mij zijn vrouwen slechts amusement, een hobby. Niemand besteedt buitensporig veel tijd aan zijn hobby’s.” Dat is andere koek. Hij heeft gelijk, die oude.  Laten we er maar het bete van maken. Ik pak mijn schrijfwaar onder mijn arm, open een  pijpje bier en loop  de woonkamer uit, de trap op, de slaapkamer in en plof op het bed. Ik zet een muziekje op en hervat het lezen van het interview.  Nog even en ik zal met het boek op mijn buik in slaap vallen. Het was weer een drukke week.  

http://youtu.be/HuOfm6nSW4A         

Advertisements
This entry was posted in jazz, Uncategorized and tagged , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s