Jan Salie en de voetzwam

Het is zaterdagmiddag en de hele  kinderschare zit zich weer stierlijk te vervelen. Ik doe niet met ze mee. Misja en ik nemen de jongste mee naar het Teylers museum. Dat treft. Een duo-expositie (met het Mesdagmuseum in Den Haag) met aquarelwerk van 19e eeuwse meesters. Zilla gaat als een bezetene met haar plankje met speurtocht van de 1e naar de 2e fossielenzaal, de instrumentenzaal en de ronde zaal met de kristallen. Na vier vragen zijn we in de  grote tentoonstellingszaal aangeland. Zilla beantwoordt vragen over het werk van Mesdag, Mauve, Breitner en de gebroeders Israels en als we haar even op weg willen helpen krijgen we een sneer. Met een IKEA-potloodje krast ze met een keurig handschrift de antwoorden op het vel. Misja en ik hebben meer aandacht voor elkaar dan voor de expositie. Als Zilla klaar is met de speurtocht lopen we naar het museumrestaurant. Onder het genot van een cappuccino en fris met appeltaart en M&M’s vullen we de slotzin in met behulp van de genummerde letters uit de voorgaande antwoorden. Ik wil met Mies en Zil nog even naar de andere expositie in de stille ruimte en aagezien Misja nog meer activiteiten op het zaterdagmiddagprogramma heeft staan spoor ik Zilla aan haar fris snel op te drinken en met het zakje snoepgoed in de hand de naar de 2e schilderijezaal te lopen. “Drink het zelf maar op” zegt ze geagiteerd en ze overhandigt me het flesje. Ik trek het rietje eruit en klok het  laatste restje in een keer naar binnen. “En nu de rest!” zeg ik opgeruimd en ik loop naar de restaurantdeur. In mij ooghoek zie ik dat Zilla richting Misja met haar wijsvinger tegen haar voorhoofd tikt. Voor de zoveelste keer (je woont nabij het centrum en je hebt een museumjaarkaart) lopen we door de schilderijenruimtes waar we alledrie wel eens (akelig) over gedroomd hebben. Het prentenkabinet is gevuld met prachig etswerk, geïnspireerd door de antieke oudheid. Goltzius domineert. “Kunnen we nu gaan?” jammert Zilla als ik een werk van Turner bewonder. “Laten we dit maar een ander keertje doen.” fluister ik in Misja’s oor terwijl een kunstpik in beige spencer over zijn legergroene overhemd, donkerbruine ribfluwelen broek, ongefatsoeneerd krullerig haar en een slecht gtrimde baard, gefronst over de rand  van zijn  uilenbrilletje op  ons neerkijkt. We vluchten de schaarsverlichte stille ruimte  uit, nadat we met vrij veel moeite de deur hebben opengeduwd. Zilla is no-time bij de kassa om haar speurtochtformulier in te leveren voor een haaientand. 



We fietsen vlug naar de Kringloop. Ik neem begerig enkele geschiedkundige werken over de Middeleeuwen ter hand en zet ze, na lang gepeins, weer terug. Al dat ongelezen werk in mijn kast is eerst aan de beurt. Zilla neemt twee vrolijkstemmend gekafte kinderboeken mee en  Misja loopt met lege handen de winkel uit.  Na een pittige fietstocht tegen de wind in langs de Zomerkade komen we uitgeblust thuis.  De kinderen zitten zich nog steeds te vervelen. Ze hebben noodgedwongen een cake gebakken en zitten nu lusteloos op de bank. Ik pak mijn boodschappentas en een vracht oud papier en loop ermee naar buiten. Als ik me verveel ga ik boodschappen doen en vuil wegbrengen. In de supermarkt, een gebouw van twee verdiepingen (een voor medewerkers en opslag en een voor de klant) in de vorm van een jaren-80-parkeergarage van 30 bij 40, crematorium van goede voornemens, loop ik  twee buren tegen het lijf. Ik begin een onnozel gesprek en vergeet, als ik een half uur later met overdreven haast de het gebouw verlaat,  de helft  van de boodschappen. Ik loop naar de fietsenstaling die zich onder het afdakje van de winkel bevindt. Ik groet de hangouderen. Een oudere, mij onbekende,  Surinamer met een sigaret in zijn uitgebluste hand loopt me rechts voorbij terwijl ik mijn zware tas richting fiets wil tillen. “Hee blakka man!” roep ik in tegenovergestelde richting terwijl ik de tas aan mijn stuur probeer te hangen. Een vrouw met springerig rood haar kijkt om met geergerde blik. Als ik wederom tegen de wind in ben gegaan zet ik de fiets tegen de gevel, vastberaden hem de daar de rest van de dag te laten staan. Ik zeul de tas door het gangetje, werp de sleutel op het plankje onder de spiegel, boven  de  radiator en loop overdreven en vals zingend de woonkamer in. De kinderen kijken niet eens om als ik de bank passeer waar ze het begin van de middag passief hebben plaatsgenomen. Ik berg de boodschappen op in koel- en voorraadkast en verlaat met gezwinde spoed dit hol van lusteloosheid. Misschien is het  besmettelijk. Ik loop de trap op en zie Misja in de badkamer de wasmachine vullen. “De kinderen!” Misja rolt met haar ogen en veegt met de rug van haar hand van haar voorhoofd. “Ahjoh, komt wel goed” zeg ik, voordat ik me opsluit in de slaapkamer. Ik sluit mijn telefoon aan op mijn reisluidspreker. Ik open Spotify en zoek Santana op. Even later klinkt Flor d’Luna door de kamer, ik klap het toetsenbord van mijn ipad uit op mijn matras en we zijn weer waar we nu zijn. Op mijn nachtkastje ligt De Geheim Tuin van H.A. Gomperts en in de laden van het nachtkastje ligt nog veel leeswerk. Ik kijk door het geopende raam dat met tussenpozen koude lucht naar binnen laat. Een naakt en vuil dekbed hangt over het kozijn. Het schemert later dan vorige week. Ik hoor merels fluiten en kinderen zingen. Ik heb zin om opnieuw met leven te beginnen. Ja. De lente is in aantocht. 

http://youtu.be/e-rdxnZOKyI

Advertisements
This entry was posted in Persoonlijk, Uncategorized and tagged , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s