Van Otterspeer tot minder

“Toe lieverd, ga nog even naar de supermarkt en neem alsjeblieft geen bier meer mee. Je hebt al genoeg gehad.” zegt Misja als ze afscheid van me neemt bij de ingang van de McDonalds. Eerder op deze avond heeft ze me gevraagd een blog te schrijven over de donderdagavond, de boekpresentatie van het tweede deel van de WF Hermansbiografie door Willem Otterspeer. Aan het laatste wil ik graag gehoor geven. Twee flessen speciaalbier kan ik echter niet laten staan. Ik schuif ze na het afrekenen in een van de verborgen vakken van mijn rugzakje  (vrienden en familie verbazen zich over het gewicht van mijn rugzak). 

Enfin, donderdagavond. Mijn collega Koos en ik bespreken de stand van zaken in cafe de Doelen. De bebaarde barkeeper groet me en vraagt me of ik nog een kelk Affligem wil. Ze kennen me hier ook al. Het is half zes. Mies en ik hebben om 18.00 uur afgesproken bij Arti & Amicitae. Ik neem er nog een. Koos laat zijn lege glas Guiness vervangen door een glas Belgisch bier. Ik vertel hem over het werk. Hij kijkt

weg. “Nu weekend man.” mompelt hij. Hij kijkt verlekkerd naar de brede kont van de  gaste die aanschuift aan de bar. Ik laat hem begaan en houd mijn beslommeringen achterwege. Ik check mijn telefoon. Misja per sms. Ze verzoekt me een pakje sigaretten mee te nemen. Ik antwoord haar dat ze haar rookwaar kan krijgen mits ik Koos mee mag nemen naar Arti.  “Tuurlijk, kom maar snel” antwoordt ze. We rekenen af, Koos iets meer dan ik, en we (Koos met zijn fiets aan de hand) lopen langs het Binnengasthuis,  de galerie, het voormalige Crea en Kapitein Zeppos, de souvenirwnkels en  de pannenkoekenzaak en Wilhelmina te paard, richting Rokin.

Koos maakt kennis met de rookkamer van Arti, het werk van Verweij (zijn Bommelsiaanse lach en de muziek van Satie) en de nagedachtenis aan een beter heden. Onze gast voelt zich al vrij snel niet meer op zijn gemak en laat zich bellen door zijn vrouw met het verzoek om naar huis te gaan. Ondertussen wordt de hoofdmaaltijd opgediend. Ik neem een vegetarische lasagneschotel. Ik werk de maaltijd binnen vijf minuten naar binnen. Misja neemt net haar vierde hap salade op haar vork. “Wat eet jij snel!”, werpt ze in mijn richting terwijl ze haar vork aan haar mond zet. “Makkelijk verteerbaar” kauw ik haar terug. Fred kijkt ons, zijn gasten, olijk aan, terwijl hij nipt aan zijn glaasje Leffe Dubbel. Voor ons staan enkele halfvolle glazen bier en wijn, “We moeten nu wel snel naar die lezing jongens! Naar verluidt is het al uitverkocht en ik heb nog geen toegangskaartje.” zegt mjn meisje met volle mond. Koos is inmidels vertrokken. Fred, Misja en ik lopen de zaak uit en pakken de tram naar  het CS. Een wijf met lange tenen ergert zich in de tram aan onze luidruchtigheid. Het zal niet de eerste keer zijn deze avond. Op het CS stappen we over op lijn 26. De tram die IJburg verbindt met het stationseiland. In de propvolle tram 26 laat Misja, al hangende  aan een stang, zich ontvallen dat ze blij is dat vanaf de eerstvolgende halte (Muziekgebouw Het IJ….lees Het Bimhuis) het grijze publiek “lekker is opgerot”. De nestor van de tram stapt op en haakt zijn vrouw aan zijn linkerarm. “Lieve mensen, onze zitplek is nu voor jullie”. Hij kijkt Misja aan met een blik waar ze verlegen van wordt. Ik neem meteen plaats. De volgende halte (Kattenburgerstraat) mogen we uitstappen. 

“Hermans’ lezerspubliek bestaat enkel uit 40-plussers.” prevel ik richting Fred terwijl  we het zebrapad oversteken. “Tel er nog maar wat jaartjes bij” antwoordt hij. Eenmaal binnen lopen we snel de trap op en gaan we vrijwel ongezien naar de voorste rij in de zaal. De zaal is nog halfleeg. We hebben keuze genoeg. De acht  stoelen tellende rij aan de rechterkant van het podium is nog volledig vrij. Ik opper dat dit de juiste plek is. Misja  en Fred nemen daar genoegen mee.  We nemen plaats. Ik ren nog even naar de bar om twee bier en een glas rode wijn te bestellen. Aan de bar hoor ik een blond meisje van een jaar of vjfentwintig tegen een grijze literatuurverslaafde zeggen: “Ik ken hier niemand behalve jij!””Je kent mij ook nog maar net lieverd..” zegt de vermoeide grijsgelokte terug. De man verdiept zich in zijn bier en het meisje kijkt veelbelovend in mijn richting. Ik kijk niet terug, bestel en reken af. Ik denk aan die prachtige zin uit McSorley Wonderfull Saloon ‘There are no little people in this book. They are as big as you are, whoever you are.’  Ik loop, al druppend met mijn bestelling, terug naar de voorste rij. De meneer van de Bezige Bij is inmiddels begonnen.  Hij introduceert de biograaf. Otterspeer, de bebrilde schrijver, een zwartdonsen lauwerkrans om het erudiete achterhoofd, steekt overtuigend van wal. Zijn schalkse blik raakt het fotovenster van Fred zodra hij met zijn camera het voorpodium betreedt. Aan weerszijden  van het podium rouleren foto’s van de meester, het lijdend en (onvrijwillig) meewerkend voorwerp, zelf. We zien de meester met zijn vrouw, met de duiven, Hugo Claus, Harry Mulisch en Rudy Kousbroek, een historsch monument, en de foto die ook is te zien op de kaft van de biografie.

Misja legt haar hoofdje tegen mijn rechterschouder te rusten. Emeritus Hoogleraar Ton Anbeek houdt een onnavolgbaar, maar slaapverwekkend, betoog over het werk van Hermans. Na zijn betoog besluit hij ongelukkigerwijze plaats te nemen op de lege plaats naast mijn persoon. Hij duwt mijn jas terzijde en nestelt zich in de formicastoel (wellicht terugverlangend  naar de tijd dat hij zelf nog in de collegebankjes zat). Wat volgt past prima in een Shakespeariaans drama. Aangezien Shakespeare ons al lang en breed bekend is zal ik u de details besparen. Ik beperk me tot de hoofdlijnen.  

Een derderangs toneelgezelschap betreedt de planken en vertolkt “Nooit meer slapen”. Een dikbuikige acteur valt, geposeerd, over een klapstoel. Misja wordt wakker. Mies en Fred kakelen de voorstelling ten gronde. De professor maant ons tot stilte. Misja verzoekt de professor zichzelf te beheersen. De oude houdt zich stil. Even verderop zie ik het Orakel uit Ede (JS) en zijn honderd jaar jongere vriendin ontevreden onze kant uit kijken.

Na een niet onverdienstelijk interview van de BB-redacteur met de biograaf, gefotografeerd door Fred op het podium (die door Otterspeer werd onthaald met de onnavolgbare woorden: “daar heb je hem weer!””…ze zijn in deftige hanenpoten door de biograaf vereeuwigd in het exemplaar van Fred), wordt onze aandacht verplaatst naar het voorportaal, waar enorme stapels Hermansbiografien liggen.

Na het aanschaffen van de 1200 pagina’s tellende biografie lopen we gezapig de straat over naar de tramhalte. Het duurt nog een kwartier voordat de eerstvolgende tram zal arriveren. “Heb je die bek gezien van dat wijf van die schrijver?””Belachelijk toch zoals die redacteur reageerde?””En die lul naast je? Die emeritus?” (Misja spreekt dit  laatste uit alsof de pensionering een toegevoegde ziekte betreft). Ik zwijg. De  tram arrriveert. Vijf minuten later betreden we het station. Ik heb Misja een blik cola beloofd. Ik heb zin in bier. Helaas. De eerste Albert Heijn heeft een lege koelkast. Ik sommeer Misja en Fred het perron op te lopen waar de trein naar Haarlem vandaan vertrekt. Ik loop door de spelonken van het Centraal door naar de Albert Heijn aan de IJ-kant, enkele minuten lopen van het perron waar de trein naar Haarlem vandaan vertrekt. Ook daar zijn de koelingen leeg. Mjn lust in bier neemt met de minuut toe. De selfservice-Albert Heijn aan de overkant brengt  duidelijkheid. Op een gestencild A4-tje is te lezen dat: “Uit veiligheidsoverwegingen (…), vanwege de UEFA-wedstrijd, de verkoop  in alcoholhoudende dranken (is) gestopt.” Al vloekend loop ik naar spoor 2. Ik tref Fred en Misja. We stappen de trein in. ” Geen bier, dus geen cola lieverd!” zeg ik en ik openbaar in een goedgevulde coupe mijn ongezouten meningen over voetbal en liefhebbers. Menig gezicht draait zich in een richting waar niets te beleven is. 

In Haarlem stappen we uit. Een kortgeschoren joch volgt ons.Op het moment dat hij door heeft dat mijn naasten al ietsje verder zijn stoot hij me aan. Ik kijk naar hem. Hij kijkt schijnbaar onderzoekend naar het reispaneel. Ik bijf langs de trapleuning wachten totdat  ik Fred en Misja zie. Het joch loopt tegen me op en kijkt agressief langs me heen. Fred en Misja arrriveren. “Moet je die befkop daar verderop zien. Het liefst snijdt hij mijn kop van mjn romp, net als die IS-strijders!”  opper ik  brallerig. “Nou bekkie dicht” zegt beschermengel Misja. We lopen de gang door richting de bus die ons zal leiden naar ons veliige huis en zien de bloeddorstige skinhead zijn messen slijpen. Zijn slachtoffer zal geen Hermans-kenner zijn, zo vermoed ik.

http://youtu.be/4iV4NwSbscg

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

2 Responses to Van Otterspeer tot minder

  1. fredvanderwal says:

    GOED WEBLOG

  2. fredvanderwal says:

    De vanger met zijn schaamhaar moest natuurlijk zijn DE VINGER MET ZIJN SCHAAMHAAR

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s