Een zieke geest in een verwaarloosd lichaam

IMG_0662Ik zette mijn fiets, dat oude kreng met gemolesteerde spaken en verweerde vaalrode fietstassen van een van mijn eerste werkgevers, de PTT, tegen de twee verdiepingen tellende bouwkeet op het plein. Aan mijn rechterhand zag ik de speeltuin bestaande uit een klimrek, twee wipkippen, een draaimolen en een stuntelstang. Aan weerszijden van het plein doemden twee drie-verdiepingen-tellende appartementencomplexen op. Twee boter-kaas-en eierenconstructies in 3D. De muren aan de straatkant ontbraken zodat de luid-zingende bouwvakkers volop in het zicht stonden van het werkloze pleinvolk. Toen ik mijn fiets op slot had gezet rechtte ik mijn rug. Voor me zag ik vijf wild voetballende jongens. De aanwezigheid van de enorme bouwkeet bracht hen kennelijk niet uit balans. Ik liep naar de stalen trap en ontweek ternauwernood een scherp gerichte bal. Ik zag tegenover mij mannen met gele helmen hun ondoorgrondelijke rituelen verrichten. Langzaam betrad ik de trap. Boven klopte ik op de witte blinde deur. Er werd niet gereageerd. Ik opende de deur, stapte de drempel over en stond in een schaars verlichte gang, de voorhal van de kleedkamer van de voetbalclub. Ik liep naar het einde van de gang en klopte wederom. Zonder het antwoord af te wachten opende ik de deur. Ik keek in het oprechte gezicht van een werkman. Naast hem zat een kalende heer van een jaar of vijfendertig in en zwart pak. Een vertegenwoordiger waarschijnlijk. “Ik ben op zoek naar Marcel Bouwman” sprak ik richting de werkman, een slanke, vrolijk ogende dertiger die onderuitgezakt op zijn formicastoel zat. Ondertussen keek ik de ruimte rond. Twee goedgelapte ramen boden uitzicht op de felblauwe lucht en de bouwwerkzaamheden, het project waar het hem allemaal om te doen was. De kraai was verdiept in zijn orderportefeuille en keek niet op of om. “Dan moet je hiernaast wezen” zei de werkman en steunde zichzelf rechtop op zijn stoel. Hij wees me in de richting waar ik net vandaan kwam. “Dank u!” zei ik. Ik hief mijn hand, maar de blik van de werkman was al weer afgedwaald. Ik sloot de deur en klopte op de deur ernaast. “Ja!?” riep een jongemannenstem. Ik stapte de zonovergotenruimte in en reikte mijn hand naar een dertiger met onderzoekende blauwe kijkers en kortgeknipt dokerblond krulhaar. Ik draalde wat. “Ga maar zitten joh. Wil je koffie of thee?” Ik nam plaats op een van de schoolbankhouten stoelen en keek door een van de drie ramen en vervolgens naar mijn gesprekspartner. “Doe maar thee alsjeblieft.”, zei ik tegen mijn zin. Ik had thuis -van de zenuwen (voor wat???)- net twee flessen speciaalbier naar binnen gewerkt. De waterkoker ging aan. Marcel ging tegenover me zitten. “Ik wil je graag zeggen dat ik een open boek ben. Ik weet van alles over dit project en ik vertel wel, maar stuur me je tekst op voordat het gepubliceerd wordt. Ik leg het dan voor aan mijn manager. Ik ben geen persvoorlichter, maar ik wil hier graag over vertellen.” Ik knikte afwezig en haalde mijn notitieblokje en een pen uit een van de goedgevulde zijvakken van mijn rugzak. “Ik ben een buurtgenoot en schrijf voor het blaadje van de wijkraad. Ik benieuwd hoe het er voor staat met dit project”, stelde ik hem gerust, “ik stuur alles op naar de geïnterviewde voordat het naar de eindredacteur gaat.” mompelde ik, terwijl de projectleider in de startblokken zat om zijn verhaal te doen. Het leek erop dat mijn tekst niet meer tot hem doordrong. Hij vertelde en vertelde en ik noteerde en keek mijn slachtoffer af en toe belangstellend aan. Drie kwartier later nam ik afscheid. Marcel had me de tekeningen aan de muur laten zien. Het theewater stond, inmiddels lauwwarm, in de koker. Ik nam mijn rugzak over mijn schouders en verliet de keet. Onderaan de trap keek een achttal geschrokken ogen mijn richting uit. Ik besteedde er geen aandacht aan en reed op de fiets, met een goed verhaal, terug naar huis.

IMG_0660

Zaterdagochtend. Misja stinkt uit haar mond. Ze heeft een flinke ontsteking in haar mond. Het tandvlees onder een van haar afgebrokkelde kiezen in haar onderkaak is behoorlijk opgezwollen. Ik stap wankel uit bed en haal een bak koffie voor haar. In de woonkamer zie ik Zil en Jom. Ze hebben de nacht samen doorgebracht. De rest van het spul is elders. Ik pak Het Parool van gisteren van de bank en ik groet de meiden, schenk ze een glas drinken in en loop met twee koppen koffie de trap weer op naar mijn patient. Ze is in slaap gesukkeld. Ik plaats de koffie op de nachtkastjes en open stil de rolgordijnen en plof nahijgend in bed. “Koffie?” fluister ik in Misja’s oor. Ze draait zich geagiteerd om, terwijl ze zich stevig in haar dekbed rolt. “Twee koffie voor meneer” antwoord ik aan mezelf. Het zal een lange, saaie dag worden. Ik vouw de krant open en speur naar het op de voorpagina genoemde artikel over de twintig jaar geleden overleden Ischa Meijer. Misja ademt zwaar, maar ze slaapt niet. Ze is ziek. Ik lees haar fragmenten voor uit het Parool. “Meijiiiiiiiiier” lispel ik in haar onwillige linkeroor.

Zaterdagmiddag rond een uur weet ik Misja met vrij veel moeite te overtuigen dat het weer te mooi is om de hele dag in bed te blijven liggen. We stappen even later op de fiets naar de stijlvolle en de stijlloze kringloop. Bij de stijlvolle loop ik arglistig in het rond terwijl Misja zich, als een zoutwatervis in de zee, beweegt tussen de stijlvol geplaatste kledingrekken. Ze ziet een paar jaren-60-meisjeshakjesschoenen in de oorspronkelijke doos en een bijpassende jurk en neemt ze in haar rechterhand vastberaden mee naar de kassa. De verkoopster streept de kosten weg tegen de inkomsten die het zaakje aan (de inbreng van) Misja te danken heeft. Ik geloof dat ze 60 cent retour ontvangt. We fietsen over de busbaan naar de stijlloze. Ik voel me er meteen weer op mijn gemak. Misja loopt naar de kleding, ik naar de boeken. Mijn oog valt op een-aan de rug af te lezen- volledig uitgelezen paperback met reisverhalen van Bob Den Uyl. Het meest storende aan de bundel zijn de testimonials van Ian Buruma, Jeroen Brouwers en de op het toppunt van zijn onterechte roem ontslapen Martin Bril. Even verderop zie ik nog meer moois. Een in het Nederlands vertaalde bundel van Henry Miller, een verzameling van winteravondvertellingen van Francois Haverschmidt en een omnibus met drie meesterwerken van Sartre. De eerste en de derde leg ik even later weer terug op een boerentafel in het midden van de zaak. “Ik mot ook wat meer aan mijn lijf werken. D’r mot weer 10 kilo af. Het wordt me allemaal te zwaar.” zegt een in grijze trui en donkere spijkerbroek gehulde vijftiger met een rood, kaal hoofd. “Ach, het is sowieso niet veel soeps. Ik heb mezelf niet meer onder controle.” zegt het wijf, een mannelijk geknipte en dito geklede, te magere, vrouw van dezelfde leeftijd aan zijn zijde, “Ik ken niet eens meer normaal de telefoon pakken zonder pijn. As ik mijn arm buig voel ik het al in mijn rug en…” zo ging de euthanasietrein nog even verder.

Zaterdagavond. Er staan twee in Gall&Gall-cadeaupapier ingepakte flessen wijn op tafel. Misja maakt zich, al scheldend, op. De kinderen zijn inmiddels hun bed in gevlucht. De buren geven een feestje ter ere van hun 10-jarig huwelijksfeest en wij zijn uitgenodigd. Ik leg de laatste hand aan deze bijdrage. Door mijn koptelefoon klinkt “Little Girl Blue” door Hank Jones.

“Nog even naar de buren en dan naar bed” denk ik.
“Beloofd!” hoor ik Misja denken.

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s