De teckel van Tolstoi

“Omdat ik geen baard draag, niet op sandalen loop en op geen enkele trendgevoelige etage van de Bijenkorf ooit een halsketting met een mystiek Indiaas ijzerwerkje heb gekocht, ben ik altijd een zekere drempelvrees voor protestacties blijven houden.” aldus Jan Blokker sr. in zijn bunimagedel Ben ik (eigenlijk) wel links genoeg? (november 1974). Behalve dat eerste (de baard) klopt deze zin voor mij ook. Niet omdat ik het er per se mee eens ben, want ik ben niet zo bezig met gevoeligheden van en over mezelf, maar omdat de combinatie klopt.

Zaterdagmiddag Brinkmann. Zelfde plek. Zelfde kelner. Zelfde bier. Geen internet. Te druk wellicht. Ik luister naar mijn offlinecollectie op Spotify. Back Room Blues (Bryan Lynch Quartet). Achimageter mij wordt hard en schel gelachen door twee twintigers. Een jongeman met een muts op zijn kale knikker er een onsympathiek ogende jong in sportkleding en een enorme vooruitstekende kaak. Misja is de stad in. Misschien is ze er inmiddels al weer uit.

Vanochtend werd ik door een uitgelaten Levi gewekt. Hij had er zicht- en hoorbaar zin in. Hij kroop tussen Misja en mij in. Ik haalde drie koppen koffie, ik zette de tv aan en schakelde over naar het youtube-kanaal om het concert te hervatten dat ik in de vroege ochtend, zo tegen 2.00 uur had gepauzeerd, The last waltz van The Band. Een opname van 4,5 uur. Ik wees Levi de bandleden aan op volgorde van sterfdatum. Richard “schiet mij maar lek” Manuel was ter rechterzijde achter de piano gemanoeuvreerd (zelf was hij waarschijnlijk liever achter het podium gaan zitten). Bassist Rick “de jankerd” Danko nam op het midden van het podium een prominente plaats in en Levon “jammen in de hooischuur” Helm, de drummende zanger, zat aan de rechterzijde regelmatig in de spotlight. De overlevenden, Robbie “de stille” Robertson (ik heb wel eens gelezen dat hij tijdens de optredens, vanwege zijn prille vaderschap, in een continue slaaproes verkeerde) en Garth “met de grootste baard” Hudson, de excentrieke Hammondorganist, speelden hun partijtje mee alsof ze wisten dat ze uiteindelijk aan het langste eind zouden trekken. Aan de zijde van The Band trok een stoet van bekenden trok voorbij. Bij Joni Mitchell was Levi al zijn levenslust kwijt. Ik schakelde de tv uit.

15.00 uur. Misja en ik lopen van de trendy tweedehandszaak, de Stijlloods, door naar de door zwervers en gierigaards (bepaal zelf maar   in welke categorie u ons inschat) goed bezochte kringloopwinkel in de Zijlstraat.  Bij de trendy zaak hebben we net enkele plastic tassen met boeken en kleding achtergelaten. De restanten brengen we naar de Kringloop. Misja zingt met schelle stem een vunzig lied. Mensen kijken geërgerd om. Een clochard doet een poging haar na te zingen. Zijn stem laat hem in de steek en zijn gezang eindigt in een door een gezond mens niet te evenaren gerochel. Ik kijk om. Hij lijkt op de man die ik gisteren in de voorhal van de supermarkt trof. De man stond doodstil achter zijn boodschappenwagen, gevuld met vullis. Zijn handen, die waren vastgeklemd om het duwgedeelte van de van flinterdun staal gevlochten wagen, waren paars aangelopen. Hij had in zijn broek geplast. Zijn grijze haar stond in plukken overeind op zijn donkerroze schedel. Zijn mond stond wagenwijd open. En hij slaakte een verstomde kreet. De minderjarige winkelbediende sprayde de voorwinkel met een fles luchtverfrisser. “Ik wil hem hier niet meer hebben, die stinkerd.” zei het dikke blonde meisje met het varkensgezichtje. “Het zal niet lang duren voor jij ook gaat stinken meisje.” dacht ik en ik herdacht de lijkengeur die ik opsnoof bij een geopend graf tijdens mijn bezoek aan Begraafplaats De Nieuwe Ooster, op een warme dag in de hete zomer van 2013. Wij zijn allen sterfelijk.

Na drie kwartier uur inspiratieloos bloggen besluit ik de zaak te verlaten. Ik pak mijn rugzak en boekentas op en loop, en passent de kelner groetend, de trap af richting kassa. Bij een vermoeid ogend meisje pin ik net iets minder dan tien euro. “Dank U en tot ziens” zegt het wicht. Ik strompel naar de fiets die tegen een wand van spaanplaat- een tijdelijke scheiding  tussen succesvol en vergeten- geplaatst staat. Ik rijd langs de paaltjes die het voetgangersgebied scheiden van de straat. Een mollige vrouw met een enorme kont zwenkt naar links op het moment dat ik passeer. “Nou, lekker dan” preekt de kontvrouw. “Ach, sodemieter dan op!” denk ik, maar ik zeg niets. Ik fiets langs de Waag, het Spaarne langs en tegenover het Teylers museum rijd ik de brug over. Mart “zakkendrager” Smeets loopt mij druk bellend tegemoet, en groet mij achteloos met de hand waarin hij twee met huisvuil gevulde tasjes van een of ander modehuis draagt. Ik fiets door naar Het Monument. In de winkelstraat doe ik enkele boodschappen. Na het boodschappen doen rijd ik richting huis. Ik passeer een bejaardenhuis. Er staat een in PTT-post-kleding-gehulde jongeman voor de deur. Hij heeft waarschijnlijk net een van de verchroomde belknoppen aan het paneel aan zijn linkerhand ingedrukt. Op de stoep naast hem staat een -zichtbaar- veelvuldig gebruikte rolkoffer met een groengekleurd kaartje aan het handvat. De eigenaar opent niet. Wellicht is hij inmiddels gestorven. Dat gebeurt in deze kringen.

Ik fiets ongestoord naar huis. Ik rijd slingerend van links naar rechts. Een geagiteerde man  vraagt me of ik rechts wil houden. Ik schud van ja en fiets vervolgens strak langs de kade.

“Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, dus omslachtig. Maar ze leiden wel altijd via Nederland.” zegt Ome Jan. Ik zie, in IS-gebied, in verdriet gehulde Nederlandssprekende Jihadstrijders. Ik zie een onlangs (officieel) volwassen geworden student aan de TU die zijn nepwapen tegen  zijn zojuist geveegde billetjes houdt terwijl een ongeschoolde beveiliger hem een lege studio induwt.  Een aantal in fluorescerend geel gehulde, bloedrood aangelopen, politiemensen zonder uitdaging  loopt de ruimte in om de ongewapende student in te rekenen. Ze hebben niet door dat ze gefilmd worden. Ze schreeuwen hun frustraties in het rond en rekenen een weerloze levenskunstenaar in. De overmeesterde  betoont zich de morele overwinaar. Hij schenkt vergiffenis en genade, zoals wij elkander  thee en koffie schenken. Ik zie tegenover me twee blauwverlichte kindergezichtjes. Ze gaan op in hun Minecraftspel.

Ik zet mijn fiets tegen de muur van ons huis. Levi en Boaz lopen me in de woonkamer vrolijk tegemoet. Ik zucht en loop naar de bank. Ik zak moegestreden in de kussens en  vraag de jongens om een blik bier.  Ik ga op de bank liggen. Boaz brengt me een geopend blik en een glas en plaatst beiden op de armleuning aan mijn zij.  Mij hebben ze niet. Naha!!! Crisis? Niet hier!!

 

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized and tagged , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

One Response to De teckel van Tolstoi

  1. fredvanderwal says:

    Goed verhaal. Die agenten waren zenuwachtiger en hysterieser dan die hele Tarik.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s