Daten doe je zo

IMG_0278.JPGHet laatste zomerweekend van 2014 is weer een week uitgesteld. Vrijdag fietste ik in opperbeste stemming langs de Cruquiuskaai, de Hoogte Kadijk, de Piet Hendrikkade en besloot vlak voor het station links af te slaan richting Nieuwmarkt. Al fietsend hield ik per telefoon contact met Misja. Ik had zin om met haar op een terras te zitten, maar Mrs. Selfridge had het voorzien op de kledingwinkels in het te drukke hart van de hoofdstad. Ik laveerde tussen wandelende en fietsende toeristen over fietspad, stoep en straat en probeerde de shopaholic, die hoorbaar in de tram zat, toch nog over te halen. Plots hoorde ik “Nog harder lul, auw mijn hoofd!” en de verbinding viel weg. Niet ik was gevallen (wat in de lijn der verwachting lag), maar het meisje. Ik moest alle zeilen bij te zetten om een overstekende bejaarde met rollator te ontwijken en ik reed langs de Oude Manhuispoort richting Rokin. Ter hoogte van Arti et Amicitia belde ik Misja weer. Ze stond inmiddels met haar grijpgrage handjes in de kledingrekken. “Nee, ik ga niet met je op een terras zitten. Ik heb er nu al helemaal geen zin in. Die trambestuurder scheurde zo dat ik, toen hij plotseling remde, uit mijn stoel schoot en tegen de stoel tegenover mij klapte. Suh met mien harses tegen de hoek van de zitting. Niemand deed wat. Ik dizzy natuurlijk. Die getatoeëerde baardaap naast me keek me onverschillig aan en een ouwe vent zei: “ja, dat komt er van als er zo hard gereden wordt”. Geen enkel begrip voor mijn situatie dus. Geschokt ben ik de eerste de beste halte op het Rokin de tram uitgestapt. Wat een asostad is dat kutAmsterdam toch.” “Tja, dat zal je in Haarlem niet zo snel gebeuren. Daar rijden immers geen trams.” zei ik, lichtelijk teleurgesteld over het feit dat ik Misja niet kon overhalen om op het terras te gaan zitten. Ze stond waarschijnlijk enkele honderden meters van me vandaan, maar ze had geen zin om me te zien.

Ik reed slalommend over het Spui en sloeg rechtsaf, linksaf langs het bomvolle terras van cafe Hoppe en daarna weer rechtsaf over de Singel. Nog meer terrassen. Uitgelaten, welgestelde, studenten zaten met een goedgevuld krat bier op de stoep voor hun studentenhuis. Ik twijfelde nog even bij Van Zuylen, waar ik twee weken geleden nog zo gezellig had gezeten met Leef, na ons bezoek aan het Rijks. Maar het was me nu te druk en ik had geen zin om er alleen te gaan zitten. Ik fietste langs de hoeren, die werkeloos op de hoek met potentiële klanten of pooiers, een sigaret stonden te roken en sloeg linksaf de brug op richting Haarlemmerdijk. Aan het eind schoot ik het Haarlemmerplein en parkeerde mijn fiets tegen een lantaarnpaal. Ik liep pissig de, daar onlangs gevestigde, Albert Heijn in en stevende met vaste pas naar de bierstraat. Daar pakte ik een halve liter huismerk en een sierflesje Kabouterbier uit het schap. Ik rekende af bij een ongesluierde caissière (het meisje met het hoofddoekje naast me zat werkeloos achter haar kassa terwijl ik in de rij stond), en borg de drank op in mijn rugzak. Ik kruiste, door rood, de Marnixstraat, reed de Willemsbrug over en stond enkele seconden later stil bij het stoplicht aan de Nassaukade. Enkele minuten later zat ik in het Westerpark op een heuvel in het gras. Ik keek uit op de vijver, het grasveld daarachter, en nog verderop de tot evenementenstudio’s verbouwde gasfabriekgebouwen. Ik trok mijn blik bier open belde maar weer naar Misja. Voor me zaten drie jongens van een jaar of 20 en ze spraken over hun gymnasiumtijd als deze al een halve eeuw achter hen lag. Misja had nog steeds geen zin. Ik probeerde haar over te halen naar het Westerpark te gaan, maar dat vond ze teveel gedoe. “Ik hb nog steeds last van mijn hoofd. Er zit een grote bult onder mijn haar. Haal straks maar een lekkere fles Prosecco, dan suup ik hem thuis wel voor je leeg.” Met grote teugen dronk ik mijn bier op en gooide het lege blik in de vullisbak waar ik mijn fiets tegenaan had geplaatst. Na enkele meters fietsen bemerkte ik dat mijn band leeg was. Lek. Enkele seconden wist ik niet welke kant op te gaan. Ik besloot richting Sloterdijk te gaan lopen. Met mijn rechterhand greep ik het midden van mijn fietsstuur en met gebogen hoofd liep ik over het fietspad. Lachende, pratende, fietsende studenten gingen me voorbij. Het was warm en ik begon te zweten. Ik verliet het fietspad en liep het voetpad op, waar ik ‘s ochtends joggers over heen zie lopen. De palm van mijn hand begon pijn te doen omdat ik mijn fiets op het oneffen voetpad in bedwang moest houden. Een vrouw met een, met kinderen gevulde, bakfiets snelde me voorbij. “Hee, kijk uit met je fietsgeval. Er lopen hier ook kinderen!” riep een man verderop tegen haar. Ze riep iets onwelgevalligs terug in zijn richting. De man verontschuldigde zich toen hij mij zag. “Maakt niet uit.” zei ik tegen hem en liep nors door langs de vreugdeloze kantoorgebouwen aan mijn linker- en het volkstuinencomplex aan mijn rechterhand. Een oninteressant kwartier later liep ik onder de betonpilaren van de metro’s en de treinen door, langs de busbaan en de sporen van tramlijn 12. Ik tilde mijn fiets op en liep de trappen op naar stationshalniveau. Ik bracht mijn fiets bij de fietsenmaker (en realiseerde me dat het de derde keer deze week was dat ik bij een fietsenmaker naar binnen stapte). “Wanneer wil je hem weer hebben?” vroeg de goedmoedige man in zijn vuile stofjas. “Maandag is goed, dan ga ik weer naar mijn werk.” “Dan wordt het maandagmiddag. ‘ s Ochtends staat mijn collega er die alleen op de fietsen past. In de middag is de reparateur er.” “Maakt me niet uit. Ik vind alles prima.” zei ik terwijl ik mijn contactgegevens op een kartonnetje met een rond gat erin schreef dat even later aan mijn fietsstuur gehangen zou worden. Ik liep met een randje karton met een nummer erop in mijn portemonnee de hal van het station in. Ik kocht bij de Albert Heijn een blik zwaar bier en voegde deze bij het flesje dat nog in mijn tas zat. Het perron was vol. De trein ook.

Een half uur, en een trein- en busrit later, zat ik in de tuin. De zon was inmiddels achter de toppen van de bomen gezakt en de temperatuur daalde. Ik hoorde de buren lachen. Een kat maakte jacht op een gewonde mug. De avond moest nog beginnen. Drie kwartier arriveerde Misja. Ze omarmd me. Ik betastte haar de bult op haar hoofd en ik wist dat het goed was. Een uur of wat later vielen we, onder het luisteren van Frank Zappa, in slaap tegen de bank.
Ciao Amore.

http://youtu.be/v_6wzQ0f4kc

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s