Jessica

De avond lijkt nog jong, want het is licht buiten. De kinderen zijn weg. Misja is weg. Ik ben alleen en ik zit aan een keukentafel in onze lange huiskamer. Er staan bloemen van Natasja -de zus van Misja- en ze doen het goed, deze door weelderig groen omgeven bloemen. Ik neem plaats achter de piano en ik stel me voor dat ik een concert speel. Een mengsel van jazz, klassiek, country, rock, blues, boogie woogie. Als ik Machine Gun van Jimi Hendrix speel hoor ik dat het in de belendende achtertuinen rustiger wordt. Waarschijnlijk is men het gepingel van mij zat. Het deert mij niet. Ik heb de smaak goed te pakken en ik speel het Concierto d’Aranjuez van Rodrigo. En uiteraard gooi ik er een donkere improvisatie tussendoor met vooral lage akkoorden, kwarten, kwinten en Spaanse toonladders. Als ik stop is zelfs het gerommel in de achtertuinen verstomd.

Mijn vingers zijn moe. Klaar nu. Ik pak mijn telefoon, die verbonden is met mijn stereo-installatie, om op Spotify een nieuw nummer op te zetten. Ik zie op mijn display een sms-berichtje: “Als je nu niet naar de Barones komt neem ik je vrouw mee naar huis.” Ik zie een onbekend nummer en krab me op mijn achterhoofd. Barones. Mies is vanavond met Valentien naar café de Barones. Het zal wel een grapje zijn. Voordat ik het weet belt Kasper (die bij Misja en Valentien is) op en zegt: “Ja, jongen, het was misschien een misselijk grapje van me, maar ik mis je.” En het is pas vrijdagavond 20.00 uur. Na een gesprek vol misverstanden en insinuaties hang ik Kasper op. Ik moet door met mijn werk. Ik speel nog even piano en vervolgens zet ik me aan de vertaling van een drie-jaar-oud-interview.

De avond is iets minder jong. Als ik met een zojuist aangestoken sigaret naar buiten loop hoor ik de Damiaatjes. Het is dus 21.00 uur geweest. Mijn linkerbal doet pijn. Volgens de digi- dokter is het waarschijnlijk een kwaal van 40-plussers, maar ik ben er niet gerust op. Zijn het spataderen, vochthopingen, cystes of is het een kankergezwel?
Het is vrijdagavond half tien en Misja zit gezellig met Kasper en Valentien in Amsterdam bij de Barones, ooit de uitvalsbasis van Jan Lenferink, totdat die lul van EO-tv (hoe gaat het nu eigenlijk met…) langs kwam en de voormalige talkshowmaster in aangeschoten staat betrapte. Sindsdien drinkt en blowt Jan ergens anders.

Het schemert in Haarlem. Ik heb de tuindeur open staan. Kasper heeft al even niet meer gebeld. Ik luister naar Mat Manieri. Een jazzviolist, zoon van saxofonist Joe. Geniaal, maar ook ontoegankelijk. Een modern klassiek geschoold genie. Als ik zijn muziek beluister hoor ik wat hij wil, maar ik kan het vooralsnog niet vertalen. In juli speelt hij met de -toegankelijke- pianist Craig Taborn in het Bimhuis. Ik heb een interview aangevraagd met Mat. Het interview is gehonoreerd. Misschien was het interview met Craig ook wel gelukt, maar ik wil de ontoegankelijke Mat vragen.

Ja, en na zo’n overwinning draai ik Jessica. U kent het nummer niet? Bij deze dan.

Posted in jazz, music, Uncategorized | 1 Comment

Vrijdag + 1 = zaterdag

imageEen week geleden hebben we de kinderen vrijgegeven aan hun andere ouders (de exen van Mies en mij). Ze, de exen, zijn anders. Daarom zijn wij, Mies en ik, bij elkaar. Het drietal van Mies verkeert bij hun vader in Zutphen. Niks aan de hand dus. Tweederde van mijn drietal is met moeder in Maleisië. Code rood dus. Ze vechten met apen, inboorlingen en kreeftachtigen. Ik krijg om de dag een berichtje per app van moeder met informatie over de kliniek die ze diezelfde dag hebben bezocht. Ik reageer daar standaard positief op. Het lijkt me niks om per app ruzie te maken met mijn ex over iets wat ze mogelijk verkeerd heeft gedaan in een land waar ik zelf nog nooit geweest ben.

Het is zaterdagavond. Misja en ik bezoeken onze favoriete pizzeria nabij de Amsterdamse Poort. We worden gastvrij ontvangen. De eigenaar wijst ons de weg naar onze vaste tafel buiten aan het terrasschot naast de Melkboersteeg. Aan het raam even verderop zit de broer van Jack Nicholson in zijn vuile witte hemd waar zijn krullende borsthaar bovenuit steekt. Hij kijkt ons aan alsof hij ons zo aan zijn vork wil steken. Wij weten beter. De man doet namelijk nog geen vlieg kwaad.

Mies en ik drinken aan de goede kant van de steeg een glas wijn en eten een pizza met gorgonzola en en andere makkelijk te versnijden ingrediënten. Ter linkerzijde naast ons zit een druk pratend gezelschap studentikoze meisjes. Een ervan kijkt me met haar lichtbruine knikkers aanhoudend aan. Ik voel me ongemakkelijk, want ik ben met Mies. Het meisje zou mijn dochter kunnen zijn. Ik kijk haar als zodanig aan en dat maakt dat ze al snel aftaait naar haar leeftijdsgenoten aan tafel. Ik heb medelijden met het wicht.

Als we terugkeren is het inmiddels 20.30 uur. “Nog even dan lieverd!” roep ik naar Misja terwijl ik naar de piano ren. Ik wil namelijk nog zo graag spelen zolang onze kinderen nog niet in huis zijn en het heft weer in handen nemen. En de kinderen zijn er nog twee weken niet. Ik pak een boek van de stapel pianoliteratuur en ik speel. Variaties op een Germaanse dans door Beethoven, walsen van Chopin en enkele sonates van Scarlatti. Na de laatste draai ik door op een thema van Charlie Haden.  “Lekker thema!” roept Misja, die een programma op een RTL-net probeert te bekijken. Deze boodschap dringt ergens in de vijfenveertigste maat tot me door. “Fijn!” antwoord ik en ik koppel af na de vijftigste maat hoewel ik nog lang niet klaar ben. Het schemert. Een leven duurt kort, ook al beweert men anders…

 

 

Posted in jazz, music, persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

Tantra Toos in gesprek met de seksslavinnen van Milli Görüş

imageHet is vrijdagmiddag. Begin van het weekend. Ik heb een vers bosje bloemen in het azuurblauwglazen vaasje op tafel gezet, een plaat van Emmylou Harris op de draaitafel gelegd en een flesje bier geopend. Ik rook een sigaret. De kinderen zijn nu toch weg. Ik wacht op Mies. Ze heeft waarschijnlijk geen zin in een borrel. Daar heeft ze er gisteravond al voldoende van gehad.

Een vlieg neemt plaats op de margriet. De bloemen hellen over naar de rechterkant. Aan de linkerkant zie ik slechts stelen. Het ziet er best armoedig uit zo. Een kat loopt ongeduldig heen en weer over de tafel. Het beest probeert mijn aandacht te trekken. Hij heeft waarschijnlijk honger. Ik wijs de kat op de vlieg. Hij blijft me aankijken. Aan een vlieg heeft hij geen zin. Niet nu. Ik heb geen zin om het beest verder nog aandacht te geven. Ik jaag de vlieg weg van de bloem en verdiep me verder in de krant. Ik negeer de kat. Als ik een bladzijde van de krant omsla springt de kat van de tafel op de stoel.

Ik leeg het flesje bier. Misja is er nog steeds niet. FBI voorspelt toename van aanslagen zodra IS verslagen is, lees ik in de krant. Ik twijfel niet aan deze voorspelling. Elke bijeenkomst, elke publieke plek zal een potentieel doelwit zijn. De kerk, de kroeg, de manifestatie, de vergadering, de rij voor de kassa in de supermarkt of bakker.  Het is opgehouden met regenen. De zon schijnt door het woonkamerraam naar binnen. Ik dwaal af van mijn thema en vraag me af wat beter is: doodgaan in de zomer of in de winter. De kat springt weer van de stoel terug op tafel. Ik aai de kat over de rechterflank van zijn ranke lijf. Het beest loopt onaangedaan verder richting fruitmand waar de fruitvliegjes een heksensabbat vieren. Het is onbegonnen werk om al die vliegjes te liquideren en dat ziet de kat ook. Misja er nog steeds niet. Dan maar snel een biertje halen bij de kroeg aan de markt.

“Weet je, wat wij willen, willen zij ook. Weet je dat?” Jaap wacht mijn antwoord niet af en fulmineert verder: “Ze hebben natuurlijk ook wel een tikkie gelijk. Ze zijn niet op hun achterhoofd gevallen, al zegt die Wilders van wel, maar die heeft er natuurlijk ook geen verstand van, want hij zit al sinds een jaar of tien achter slot en grendel. Hij kent de wereld van nu niet eens meer, daar komt het in feite op neer. Maar wat zij willen, dat is niet eens zo gek, dat is weeeel- vaaaaart! Maar kijk…” Jaap valt stil en draait een shagje. “Maar kijk, wij willen ook wel eens wat, jij je biertje, ik mijn saffie. Zo simpel is het wel. Wat is dat nou?” Ik zwijg en neem een slok uit mijn flesje. We lopen naar buiten, want binnen roken is niet meer toegestaan. Ook hier niet. “Kijk, als ze me dit afnemen word ik link. Werkelijk waar. Ik was vroeger ook geen lieverdje, maar ik heb altijd netjes mijn best gedaan. Maar als ik die eikelbijters van nu zie. Op straat. Ze nemen simpelweg voorrang. Ze schieten er recht voor op het moment dat je rechts de hoek om slaat. En als je ze terecht wijst dan krijg je een dikke vinger. En ze rossen er op los als het ze niet aan staat. Ik zeg er niks meer van, want dat is het me niet waaaard!” Ik neem mijn pakje sigaretten uit de rechterbinnenzak van mijn colbert. Er zit goddank een aansteker in. Zonder mijn gebruikelijke worsteling met de vlam af te wachten steekt Jaap al weer van wal. “Maar dat zijn de mensen die hier zijn opgegroeid! En die hebben toch een zeker respect voor mij. Dat ik hier mijn ding doe in deze kroeg, dat vinden ze okee. Maar zij!….”, Jaap neemt een hijs van zijn zware jongen, ” Zij kennen dat niet. Dat is voor mij een moment van even tot mezelf komen. Even al die last van me af. Maar, ik weet niet hoe zij dat doen. Ik ben er nog niet achter. Maar ik hoef het niet. Ik wil gewoon dit.” Jaap haalt zijn peuk uit zijn mond en wijst op zijn half opgerookte sigaret. En jij wil dit! Jaap brengt zijn duim en wijsvinger zonder inhoud naar zijn mond. Mijn flesje staat nog binnen. Ik realiseer me dat dit het moment is om afscheid te nemen van Jaap. Misja zal toch nu wel thuis zijn.

Het schemert als ik thuis kom. Misja’s fiets staat er nog steeds niet. Ik open de deur en wandel door de gang de woonkamer in, regelrecht naar de keukentafel. Ik weiger het licht nu al aan te doen. Ik neem plaats op de stoel, zet een koptelefoon op en dommel in slaap. Jaap is ver weg en Misja is onbereikbaar. Speedsaxofonist Albert Ayler blaast een neurotisch fanfaremuziekje waarin blazers en strijkinstrumenten met elkaar om de aandacht strijden. Mijn maag draait zich om en om. In mijn droom braakt ons zojuist -maar eeuwen te laat- geboren kind de kamer onder met vloeibaar roggebrood. Als ik wakker word trekt mijn maag zich samen en stoot  ik een bescheiden hoeveelheid braaksel uit over mijn zojuist gewassen broek. Na drie contracties is mijn maag weer enigszins tot rust gekomen. Mijn broek is vies, evenals de stoel, mijn schoenen en een stukje vloer. Ik spoed me naar de gootsteen en vis er een vaatdoek uit. Ik veeg een deel van mijn maaginhoud weg. Ik was het doekje en keer terug om een ander deel weg te wissen. Dit tafereel herhaalt zich enkele keren totdat, naar mijn oordeel, de kamer weer toonbaar is. Het is donker buiten. De kat is er nog steeds en springt weer op tafel en likt aan een vergeten restje van mijn braaksel. Ik zwiep het beest van tafel. Ik ben blij dat Misja nog niet thuis is.

Posted in jazz, music, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

De ballade van de verstoten koningin van het ongezongen levenslied

imageHet is warm en de vliegjes gaan in zwermen over het pad. Ik houd mijn korte vingers voor mijn ogen, terwijl ik met mijn fiets over het onregelmatige plaveisel van de parallelweg tussen Geuzenveld en Halfweg bikkel. Een dijk ter linkerzijde bevindt zich de binnenpolder, een uitgestrekt landschap bestaande uit graslanden, rijtjes wilgen  en tuinderijen. Aan mijn rechterzijde ligt een groenstrook met weer daarnaast enkele dijkwoningen, een fietspad en de Haarlemmerweg. Ik rijd onder het nieuwe viaduct door. Ik zie links naast me dezelfde polder, een drietal fietsnietjes en even verderop een tafeltje met twee bankjes ernaast. Een bankje midden in de polder. De zon schijnt en ik besef me dat ik anderhalve week vrij ben van mijn werk. Ik fiets, langs de nietjes, het dijkje af  en plaats mijn fiets tegen het tafeltje. Ik neem mijn rugzak van mijn warme, bezwete rug. Mijn natte rug voelt koud aan. Ik rits de rugzak open en haal er een flesje bier uit. Het is immers vakantie. Uit mijn voorvakje haal ik een opener. Ik trek de kroonkurk van de fles. “Daar ga je jongen!” zeg ik tegen de fles. Ik voel plots de aandrang om te plassen en ik zet de fles op de tafel. Naast de tafel bevindt zich een in onbruik geraakte spoorlijn. Ik ga op de dichtstbijzijnde rail staan en doe een plas over de biels. Waar zou deze lijn naar toe zijn gegaan en waarom wordt er nu geen gebruik meer van gemaakt?

Een tiental minuten later fiets ik over het pad verder richting Haarlem. Ik zie de grijze langharige zonnebebrilde man met de baard en de honden. Hij neemt amper de moeite om zijn huisdieren voor mijn wielen weg te laten. Hij kent me. Ik fiets hier iedere dag en ik doe nog geen vlieg kwaad. Maar misschien pak ik hem ooit nog wel op een voor hem ongunstig moment. Met deze wetenschap fiets ik rakelings langs hem heen.

Het is vrijdagochtendvroeg en ik sta op de loopband. Oud-docente Mia is er ook al, en kunstenaar Ruud en zijn Sonja. Ze doen alledrie iets op een loopband of een apparaat. Conciërge Jan zit achter de balie naar de computer te turen. Ze zijn alevier inmiddels gepensioneerd. Alleen ik “moet nog even” en op deze wijze bewijs ik me op de loopband. Ik loop mezelf in het zweet tegen een 10 % helling.  Mia neemt plaats op de loopband naast me. “Nou, jij gaat ook je goddelijke gang maar, volgens mij ben jij hier ongeveer tien keer per week aan het trainen!” zegt ze met een licht verwijt in haar stem. “Het is voor de goede zaak Mia” antwoord ik hortend en stotend. Ik begrijp nog steeds niet dat mensen die zelf aan het sporten zijn hun mede-sporters met hun gelul uit hun ritme proberen te halen. Nu weet (en vergeef) ik dat Mia in een woongemeenschap tegenover de sportschool woont en alles weet over de “need-to-knows” in de buurt. Ik maak daar dankbaar gebruik van. Ik weet zo onderhand alles van haar en haar omgeving, maar zij weet vrijwel niets van mij. En dat houd ik graag zo. Zo ook deze vrijdag. Als ze begint over haar gesprekken met haar nieuwe buurtgenoot Erik van Muiswinkel ben ik geneigd te verklappen dat ik diezelfde avond een interview met de grande dame van de   Avant-Garde Jazz, Carla Bley, maar ik houd me tijdig in. Een loopband kan mensen in zekere zin ook in toom houden.

Het is zaterdagochtend en ik sta wederom op de loopband. Mia, Ruud en Sonja zijn er niet. Ik ben de enige aanwezige sporter. Jan is er wel, maar hij zit wederom achter zijn PC. Mijn hoofd zit vol met de muziek en het interview van Carla Bley gisteravond. Ik wandel mijn 10 %-helling en tuur door het raam naar het huis aan de overkant, het startpunt van de wandelroute richting Santiago de Compostella. En plots realiseer ik het me. Het maakt niet uit wat ik schrijf. Niemand hier zal het ooit weten. En dat is wel zo prettig.

Posted in jazz, music, Uncategorized | 1 Comment

Bermkruidblues

imageVrijdagavond zes uur. Ik heb een plaat opgezet. Een echte plaat. Vandaag gekocht voor slechts vijf euro bij de Bijna-Gratis-Markt, een zaak die wordt gerund door een voormaligb dakloze met een tomeloze overlevingsdrang. De plaat op de draaitafel stond ooit voor 25 gulden 95 te koop bij de Bijenkorf. Tristeza van Oscar Peterson. Ik vraag me af wie de eerste koper was. Op de vaal- paarse hoes, zie ik -over de volledig lengte en breedte- de in het zilvergrijs gekleurde beeltenis van Peterson die over een stuk bladmuziek hangt. Zo te zien brengt de pianist/ componist met ballpoint enkele wijzigingen aan. Net boven zijn linkerwenkbrauw zie ik een blauw rond stickertje met “Import Music Service”. De rechterhand houdt het papier vast, in de hoogbegaafde rechterhand steekt de pen. Een trio-opname. De overige trioleden zijn de ondergewaardeerde, in 1981 overleden contrabassist Sam Jones, en de 6 juli 2008 te Genua overleden drummer Bob Durham. Peterson zelf is gestorven in 2007. Ik heb nog even gehuild toen ik vernam dat hij overleden was.
Ik draai de muziek van een dood trio dus.

Een dag voor vandaag loop ik met mijn voor de gelegenheid uit de kast genomen jasje over de Ferdinand Bol en verder. Tram 3 heeft vertraging en ik heb geen zin om er op te wachten. Mijn oudste dochter heeft haar diploma uitgereikt gekregen in de Oude Katholieke Kerk aan de Ruysdaelstraat. Ik heb mijn middelste dochter op de bus gezet naar het Reinaldapark te Haarlem. We zijn even daarvoor gereden langs de EK-atletiek-vrijwilligers richting het Olympisch Stadion. Als ik terugrijd zie ik het stadion weer. Het begint saai te worden. De vrijwilligers zijn bijna thuis, maar ik moet nog heel ver. Mijn doel is oost. De trams zijn uitgevallen. Ik trek schoorvoetend mijn conclusie. Lopen dan maar. Ik ga aan de wandel…en ik wandel maar door, straat in, straat uit. Ik loop hard. Mijn hemd kleurt (onder mijn blazer) donker vanwege al het zweet. Ik ben moe en wil zo snel mogelijk thuis zijn, maar helaas is thuis nog ver weg. De tram is nergens en de plek waar mijn fiets is gestald is onvindbaar. Amsterdam is een woestijn.

Een dag later. Het is 19.00 uur geweest. Op de draaitafel ligt een LP van Bill Evans. Ik hoor Gloria’s Step. Een klassieker. Met name door deze Village Vanguard sessie van Bill Evans met zijn trio bestaande uit bassist Scott LaFaro en drummer Paul Motion is een groot aantal rock-and-Roll liefhebbers overgestapt naar de Jazz. Ik ken de muziek ten voeten uit. Ik kan alle Evans- solo’s naspelen. Maar zodra de plaat op de draaitafel ligt, lijkt het alsof ik erbij ben en val ik even stil. Het is medio juni 1961. Een dag of tien later na de opnames overlijdt LaFaro op de snelweg.

In een persoonlijk interview in Oegstgeest heb ik zijn opvolger Chuck Israels gevraagd naar zijn opinie over zijn voorganger (als u het wil lezen, dan leest u het interview maar). En ik heb Don Friedman een jaar of drie geleden gesproken over LaFaro, die hij liefkozend Scotty noemde. Don is afgelopen week overleden.  In ons interview zei hij: “I was very close to Scotty and for me it was terrible that he died so young. I can only imagine all the great music he would have made and I would have loved to play with him whenever possible.” Het is inmiddels juli 2016 en beide heren zijn dood. Evans heb ik nooit kunnen interviewen, maar ik ben nu enkele jaren bevriend met zoon Evan. Hij corrigeert me als ik iets ongerijmds publiceer over zijn vader.

Vrijdagmiddag. Het is nu het einde van de week. Ik open de luiken van mijn huis. Het is ergens tussen 17.00 en 18.00 uur. De kinderen zijn weg. Ik neem plaats achter de piano en ik speel maar door. Akkoorden en combinaties in onmogelijke volgordes. Als ik ben uitgespeeld doen mijn spieren pijn en ik schreeuw het uit, maar ik weet dat hier niemand naar luistert. Met mijn laatste krachten gooi ik de pianoklep naar beneden. Ergens buiten slaakt iemand een zucht van verlichting.

Hij doet maar. Ik ben klaar. Morgenavond zal ik het wederom doen en, zo mogelijk, nog meer  als een bezetene spelen.

 

 

Posted in jazz, music, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Hofland en dat wat achterbleef

image

Het is zaterdagochtend en ik fiets door de nevel vanaf de sportschool langs het Spaarne naar het centraal station van Haarlem. Ik denk aan wat mijn collega tegen mij zei: “Hofland en Hilterman zijn dood. Wie moet onze opinie nu autoriteit verlenen?” Ik ben een realist en zeg, geheel naar waarheid: “Wij zijn er ook nog!”

Zaterdag 25 juni. Een dag als alle andere. Ik pak de trein van Haarlem naar Rotterdam en neem de tram naar het Eiland. Daar waar LantarenVenster zich bevindt. Ik loop met mijn slecht gevulde  laptoptas richting festivalruimte.

1990. Ik loop over de Dam richting mijn school aan de Herengracht. Meneer Hofland loopt er ook. Hij kijkt bedrukt. En dat ziet er prima uit. Ik ben verguld. Want ik heb Henk Hofland gespot. Wat, naar ik later heb begrepen, was meneer Hofland op dat moment verbolgen over het feit dat hij  zijn pensioen aangezegd had gekregen. Ik kan me er nu iets bij voorstellen. Maar inmiddels zijn we 26 jaar verder.

We zijn 26 jaar verder. Henk Hofland loopt langs, met Jan Blokker in zijn kielzog, Harry Mullish kijkt me schamper aan. Maar ik weet dat ze dood zijn. Nu allemaal. De bende van drie.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Van oude mensen en dingen die nooit voorbij gaan

imageVrijdagavond Amsterdam. Misja en ik zitten op het terras aan gene zijde van het Kattengat. De zon schijnt aanhoudend en de wind is weg. We houden de stoep van Bitterzoet, een concertzaaltje, in de gaten. Daar zal onze vriend optreden. Bitterzoet. Een prachtige locatie, net achter de hoeren en de Dominicuskerk. Drie minuten lopen vanaf het Centraal Station. We roken en drinken en we bekijken de nuchtere en dronken voorbijgangers. Levi viert de tijd van zijn leven. Hij fotografeert met zijn mobiele telefoon iemand die er uit ziet als een junk, een lange magere man met ingedeukt gezicht. Een Chet Baker in zijn laatste jaren. Net als Baker is hij nog goed gekleed. De man steekt zijn hand omhoog. Een taxi stopt. “Jongen, die taxiwereld is een grote maffia.” zegt Mies terwijl ze een slok neemt uit haar glas. De junk stapt de taxi in. Achter het terrasglas zit de oud-directrice van begraafplaats De Nieuwe Ooster met een collega van me die zich met sport bezighoudt. Een afgetrainde jongen zonder noemenswaardig profiel. Mies en ik bestellen nog een glas. Levi weigert beleefd. Een glas later lopen we het Kattengat over. Ik grijp met mijn handen naar mijn borstzak. “Mijn sigaretten!” roep ik geschrokken “liggen nog bij het restaurant, ik loop wel met je mee” reageert Levi. We draaien ons om en zien nog net  dat de ober het pakje in zijn kontzak stopt. Hij kijkt ons geschrokken aan. “Ik wilde ze net meenemen naar de bar.” liegt hij. Verslagen overhandigt hij mij het pakje.

Het concert in Bitterzoet klinkt goed. Sjoerd is goed op gang. Hij heeft zijn band, bestaande uit een drummer, een toetsenist, een bassist, een fenomenale gitarist, en een blazersensemble en een zangeres, uitgebreid met een vrouwelijke stem van hoog volume. Ze zal me een dag later via Facebook een vriendschapsverzoek doen.

De weg terug is vermoeiender dan de weg heen. We nemen de bus naar de Rozengracht en daarvandaan is het wachten op de bus naar Haarlem. Enkele dronken rakkers lopen ons voorbij zonder ons lastig te vallen. “De bus kan nu elk moment komen!” roep ik om de minuut naar mijn vermoeide partners. Levi kijkt naar continu naar links (de richting waar de bus vandaan moet komen) en Misja kan met grote moeite haar ogen geopend houden. Bus 80 komt uiteindelijk even na twaalven.

De bus rijdt in gepast tempo door Amsterdam West. Levi en ik kijken door het raam. Misja kijkt strak voor zich uit, alsof ze de verkeerde pil heeft ingenomen. Naast haar zit een mevrouw van onbestemde leeftijd en dito gemoed. Ze kijkt rusteloos om zich heen, maar laat haar blik regelmatig rusten op de onstuimige boezem van haar buurvrouw. Een pot dus. We rijden langzaamaan de stad uit, de Haarlemmerweg op. Misja is er klaar mee en valt ongenadig in slaap. Levi en ik kijken elkaar begripvol aan. Mama heeft hem hangen. We laten haar maar slapen. Madame Pot  maakt van de gelegenheid gebruik om haar buurvrouw ongeneerd aan te blijven gapen. Leef en ik laten haar begaan en maken af en toe snedige opmerkingen over de jurk en de laarsen van Misja. Het wijf tegenover ons kijkt ons onwelgevallig aan.

Even voordat we de Jacobus van Looijstraat bereiken druk ik op de rode “stop”-knop. Levi port zijn moeder. Ze kijkt verstoord om zich heen. Haar blik treft die van haar buurvrouw die haar gezicht snel van haar afwendt, richting de duisternis achter het raam. Leef en ik trekken mama met ons mee de deur uit, de frisse omgeving in. Een smalle strook gras vol hondenpoep en daarachter een door boomwortels gevormd trottoir. “Kennen jullie Bordewijks Huissens nog?” vraag ik genoegzaam aan mijn naasten. Niemand reageert. (Wordt vervolgd)

Posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , | Leave a comment

Jan Restant en de regel van de ongeschreven muziek

image.jpegDe dagelijkse fietstocht van Amsterdam naar Haarlem beleef ik op mijn automatische piloot. Een ondoorgrondelijk figuur met slechte gewoontes. Er gebeurt, met name tussen Geuzenveld en Halfweg, weinig. Tussen Sloterdijk en de Nieuwe Snelweg heb ik enkele piketpaaltjes geslagen. Het bordje “Amsterdam” wens ik gedag te zeggen met een in twee windrichtingen gewende hoofdknik. Het bordje Westpoort groet ik met “Dag Westpoort” en het kluizenaarshuisje honderd meter verderop groet ik standaard met drie vingers in de lucht. Als ik bij het laatste rijtje huizen fiets schreeuw ik in verschillende toonaarden de naam van beide gastanks (Benegas en Primagaz). Ik haat de automatische piloot als ik dit doe. Met name als er tegenliggers komen. Ik negeer ze dan maar en groet, knik of schreeuw alsof ze er niet zijn en denk vervolgens “It wasn’t me!”. Een leugentje om bestwil.

Gisteren heb ik het anders aangepakt. Ik heb een afspraak met collega Arno bij De Oranjerie aan de Binnen Oranjestraat in de Jordaan. Het is vroeg in de middag, de zon schijnt fel en ik heb hem na twee biertjes al hangen. “Ik ga maar weer, straks een interview per telefoon met Norma Winstone.” zeg ik tegen Arno, terwijl ik mijn fiets van het slot probeer los te peuteren. Arno wentelt wat om me heen en ik prutst aan mijn fiets. “Nou, man, zet hem op dan. Ik denk aan je. We zien mekaar later wel weer.” Arno wandelt naar huis en ik fietste richting Haarlemmerdijk.

Ik neem de mij bekende route door het Westerpark, langs station Sloterdijk en even verderop kruis ik de Haarlemmerweg om op het fietspad ter rechterzijde terecht te komen. Even voorbij het monument van Ohm draai ik mijn stuur naar links. “Nu eens iets anders.” denk ik en even verderop draai ik mijn stuur weer naar rechts en fiets ik de parallelweg richting Haarlem op. Een lager gelegen onregelmatig fietspad vol bochten. Aan mijn rechterzijde groeien de brandnetelstruiken, het kleefkruid en de berenklauwen tegen de klippen op. Aan de linkerkant zie ik de kale graslanden. In het gras tref ik een terras. Ik zeg de serveerster gedag. Ze zwaait ongeïnteresseerd terug. Mijn blaas zit vol. Ik zet mijn fiets tegen een lantaarnpaal en loop het kruidenveld in om een plas te doen. Ik kijk links en rechts en zie fietser noch wandelaar. Ik plas de naaktslakken, mieren en muggen van het kruid. Ik vermoed dat ik behoorlijk wat onrust heb veroorzaakt aldaar.

Ik pak de fiets en ga naar Halfweg. Aldaar zie ik dat de kerk op een haar na is afgebroken. Er staat nog een toren. En…er staat nog een in steen gevormde ronding, de achterplecht van de kerk. Een werkloze grijper staat er dreigend naast. Twee bebaarde mannen schouwen het tafereel.

Ik fiets door. Even verderop zie ik een Kringloopwinkel. Kringloop Kaatje. Ik zet mijn fiets neer tegen het hek. Ik wandel de zaak in. Het is half vijf. Nog even en de zaak gaat dicht. Ik kijk wat rond. Een ruime zaak met weinig spullen. De LP’s kosten twee euro. Te duur wat mij betreft. De boeken zijn geprijsd: 0,50 euro voor een pocketboek, 1,50 voor literatuur, 3 euro voor dikke boeken met harde kaft. Achter me hoor ik glasrerinkel. “Ah, maakt niet uit, kun jij ook niets aan doen.” zegt een geblondeerde met twee getatoeëerde armen. Is dit Kaatje? Ik hoor haar denken: “klootzak, daar gaat weer vijf euro omzet.” Ze pakt een stofzuiger en zuigt de rotzooi op. In een nis tref ik twee Phoenix-pockets. Madame de Pompadour (door Jacques Levron) en Garibaldi (door M.J. Kruek v. Poturzyn). Ik loop met mijn pocketboekjes naar de kassa. De blondine neemt de potentiële koopwaar in ontvangst en vraagt me drie euro. Ik pak mijn portemonnee, maar wacht voordat ik betaal. “Drie euro?” Vraag ik de blonde Dolly. “Dit zijn pocketboekjes!” “Zijn dit pockets?” vraagt het wijf. “Dit zijn pockets.” antwoord ik. “OK, dan is het 1 euro.” zegt ze en ze kijkt me niet aan terwijl ze mijn euro in ontvangst neemt. Ik wens haar een goedemiddag. Ze reageert niet. Ze denkt aan het gebroken glas en de verloren omzet.

Ik pak de fiets. Ik verwacht dat het mens achter de kassa me gaat achtervolgen met de mededeling dat mijn aankoop toch werkelijk geen pocketboek kan zijn. Ik fiets weg en voel een akelige rilling over mijn rug.

 

Posted in jazz, music, Uncategorized | Tagged , , , , , , , | 2 Comments