Afspeellijst

img_0339Een dag na de negentiende verjaardag van mijn oudste dochter ga ik op reis met mijn jongste dochters. Het is voorjaarsvakantie en twee weken terug heb ik een reisje geboekt waar ik nu aan vast zit. Ik zat op een schimmige zaterdagavond met teveel bier op achter mijn ipad en keek wat rond op een website waar hotels, jeugdherbergen en aanbieders van Bed & Ontbijt elkaar naar de kroon steken. De handelaars in kortdurend verblijf hadden plezierige plaatjes  van authentieke, rustieke buitenplaatsen aangeboden bij de vakantiemakelaar, die via de overkoepelende site van de branchevereniging de nodige vergoedingen ontvangt. Het systeem klopt al niet. Het kan allemaal veel goedkoper zodra de makelaar niet meer in beeld is. En dat is meestal het geval bij de tweede boeking.

Deze keer heeft de makelaar ons in Uden gebracht. Uden, Noord-Brabant. Een plaats die overal even ver van af ligt. Oss, Den Bosch, Eindhoven, Nijmegen. Een half uur met de bus reizen en je bent er. Maar als je ergens slechts een dag, of in hoteltermen: twee nachten, bent dan is elke minuut reizen teveel van het goede.

Dochters Zajra, Jomma en ik lopen met twee rolkoffers, een gevulde boodschappentas (want je weet maar nooit) en een rugzak met een te zware laptop en twee iPads erin naar de bushalte in Haarlem. Het miezert. Een vlezige puber met lang sliertig haar, een te strakke spijkerbroek en een sigaret in haar linkerhand kijkt stuurs voor zich uit. Ze pakt een bus eerder. Vijf minuten later nemen we bus 73 richting Schipholweg. “Die rolkoffers kosten jullie 5 euro per stuk.” zegt de loensende buschauffeur. Ik weet al meteen dat het om een grap gaat, maar de kinderen kijken hem begriploos aan. “Net als op Schiphol. Dat moet je ook doen als je met het vliegtuig gaat, toch?” Ik laat de hork begaan. Maken de kinderen zo’n behandeling ook eens mee. Na een halve minuut over en weer gestaar tussen de kinderen en de grappenmaker geef ik een knipoog richting de chauffeur en duw ik de kinderen lichtjes naar de dichtstbijzijnde vierpersoonsplek. Twee haltes verderop verlaten we de bus alweer om over te stappen naar de bus richting Zuid. De kinderen lopen steevast de verkeerde richting uit. Ik sis ze terug, maar weet dat we nu onze aansluiting missen. We wandelen over het zebrapad en zien (inderdaad) verderop bus 346 vertrekken. Het is inmiddels weer begonnen met regenen.

Na  een kwartier wachten zitten we in de volgende bus. Deze arriveert een klein half uur later op station Zuid, na het pinnen van onze kaartjes loop ik zoekend naar reisinformatie door de sfeerloze stationshal. Ik heb zin in koffie en loop een kiosk binnen. In de verte klinkt de stem van de omroepster. Trein van 12.56 richting Den Bosch stopt ook op enkele tussengelegen stations . Trein van 12.56, dat is onze trein!  Het is inmiddels 12.54. Ik laat de koffie zitten, maar weet nog steeds niet vanaf welk spoor de trein vertrekt. Uiteindelijk kies ik op goed geluk spoor 2, de kinderen trippelen met hun rolkoffers achter me aan om even later op een winderig sfeerloos perron voor onze neus de deuren van de trein van 12.56 richting Den Bosch te zien sluiten. “Nu heb je alle tijd om koffie te halen papa” klinkt een lief stemmetje naast me. Achja, een half uur extra reistijd overleven we ook wel. Even voor half drie arriveren we op station Den Bosch. Ons resteert nog anderhalf uur reizen voordat we kunnen aankloppen bij onze jeugdherberg in Uden, 26 kilometer verderop.

Het busstation in Den Bosch staat vol met breedgeschouderde, vlasharige, gepukkelde scholieren. De meesten staan op het perron waar bus 306 vertrekt. De bus naar Veghel en via Uden naar Oss. Onze bus. Het spettert nog steeds. Ik trek mijn capuchon tot ver over mijn ogen. Als de koets van Arriva eindelijk aankomt op perron F lopen snel enkele gehaaide pubers langs ons beduusde gezelschap naar de geopende deur. “Dat wordt staan”, zeg ik geërgerd tegen mezelf. In het gangpad proberen we elkaar houvast te geven en de rolkoffers en boodschappentas in balans te houden. Clark Kent kijkt met zijn doffe blik mijn kant uit, bang om herkend te worden. Ik groet hem. Hij draait zijn hoofd snel om. We rijden door Veghel. We stappen uit aan de rand van de wereld. Een uit beton, asfalt en systeemplaten samengesteld bedrijventerrein waar de zwaarmoedigheid Heer en Meester is.

De vermoeid ogende ongeschoren loonslaven lopen hier gewapend met een brandende sigaret over straat. Er posten er drie bij de bushalte.”Hierna nog een overstap jongens, en dan zijn we over 25 minuten in Uden” roept de reisleider met zwakke stem richting de meisjes die elkaar lopen te klieren. Stoep en straat glanzen van het hemelwater. Ik vraag me stilletjes af of de zon op deze plek ooit geschenen heeft. Bus 305 rijdt aarzelend voorbij, de volgende bus stopt. We stappen in. Het blijkt ook inderdaad een stopbus te zijn. Vijfentwintig minuten lang rijden we door het eentonige Brabantse landschap. We hebben gelukkig een zitplek, maar daar is verder alles mee gezegd. “Volgende keer nemen we een hotel in het hart van de stad!” verkondig ik aan mijn vermoeide reisgenoten. We worden aan een drukke straat afgezet. Google Maps vertelt me dat we de straat moeten oversteken en dat we een woonwijk moeten doorkruisen en vervolgens via het tunneltje aan de andere kant van de snelweg onze eindbestemming bereiken. Ik kijk nogmaals. Langs de snelweg? Deze tocht had ons vanuit Haarlem slechts 1,5 uur gekost als we met de auto waren gegaan. Het is vanaf de bushalte slechts 8 minuten lopen, maar ik vervloek mezelf omdat ik nooit mijn rijbewijs heb gehaald.

Posted in music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , , , | Leave a comment

Good vibrations

img_0194De voorjaarsvakantie is begonnen. In ons deel van het land, het midden, het noorden. Het zuiden gaat pas volgende week los. Ik merk het al vrij snel vanochtend in de straten van Haarlem, op weg naar de sportschool, middenin de Burchtwalbuurt. De 1,6 kilometer van mijn huis naar de gymnastiekzaal heb ik ongeveer 3 mensen gezien. Een vrouw die haar hond uitlaat, een mevrouw met kind in wandelwagen (ok 4!) en een verwarde man op een bankje. Die man zat er gisteren trouwens ook al. Ik parkeer mijn fiets tegen het Rosa Huessy-Stockhuis, vertrekplaats voor bedevaartsgangers richting Santiago de Compostela. Jan, de conciërge, opent de lange smalle, donkergroen geverfde deur en maant me naar binnen. Jan wacht met het ontsteken van de verlichting van de ruimte tot ik binnentreed. Hij veegt vermoeid met zijn wijsvingers, onder zijn brillenglazen  over zijn oogleden. Zou hij hier geslapen hebben? Ik kleed me om. Als ik de kleedkamer verlaat hoor ik de Beach Boys. Good Vibrations. Ik stap op de loopband. Ik neem me voor een half uurtje te gaan lopen in plaats van de gebruikelijke 60 minuten. Met een fietstocht naar Amersfoort in het vooruitzicht is dat wat mij betreft voldoende inspanning. Vanaf mijn loopband observeer ik Jan aan de balie achter zijn scherm. Hij bekijkt beelden van de Clintons. Bill met gitzwart haar, Hillary met koket opgestoken kapsel. Hij maakt notities en draait de beelden terug. Ik zie telkens weer dezelfde beelden. En ik hoor nog steeds de Beach Boys. Good Vibrations.

Als ik van de loopband stap klinkt  dezelfde muziek. Tijdens het verstellen van gewicht en nekrol van de buikspiertrainer roep  ik quasi- achteloos “Zou je niet eens een ander nummer opzetten?” in Jans richting. Vervolgens klinkt Dusty Springfield uit de luidsprekers. De Beach Boys hebben zich inmiddels in mijn systeem genesteld. Bij het verlaten van de sportschool herhaal ik in mijn hoofd de melodie en stapel ik de tempowisselingen en melodiewijzigingen als legoblokjes op elkaar. Ik fiets naar huis en pak mijn weekendspullen. Misja kijkt me trouw, maar droevig aan. “Zou je dat nou wel doen, weer naar Amersfoort met de fiets?” Ik geef haar een kleffe zoen op haar brakke lippen. “Ik ben morgen voor het eten weer terug!”, antwoord ik. Een tijdje terug heb ik met mezelf afgesproken dat het goed is om mezelf op te laden in een andere stad. Dat is dus Amersfoort geworden. Gewoontedier als ik ben ga ik nu om het weekend op de fiets via dezelfde route, naar dezelfde stad. En vervolgens ga ik naar dezelfde kroeg om bij dezelfde serveerster hetzelfde glas bier te bestellen.

Tijdens mijn fietstocht draait Good Vibrations zich om en om. De vorige keer zat ik in de rookruimte. Nu zit ik in het niet-roken gedeelte van de kroeg. Een tafel naast me zit een gezelschap grijze, naar de voor hen geschikte mode gekapte, oma’s. Vrouwen met een luide stem en een slok op. Hun echtgenoten zitten er als dode vogeltjes naast. Ik benijd ze niet. Een tafel verderop zit een pokerend gezin. Een meisje en haar vader met een scherpe kin en bruine ogen. De vader heeft asgrijs haar, zijn dochter draagt het donkerbruine haar in een knot op haar uitgekiende kop. Haar vriend naast haar geeft haar aanmoedigende klopjes op haar schouder. Winnen is niet zijn ding. Schuin tegenover haar zit haar broer, een troetelbeer met gitzwart onstuimig haar en een vlasbaardje, naast zijn naïeve vriendin. Een lichtblondgelokt schaapje dat wat onnozel om zich heen kijkt. De moeder, een oplettende vrouw van middelbare leeftijd, doet niet mee aan het kaartspel. Zij drinkt vruchtensap en zal even later het gezelschap tot de orde roepen. Ze kijkt af en toe misprijzend in mijn richting. Ik weet niet wat ze denkt. Misschien wil ik het niet weten ook. Geluk is … aanlanden aan een vierpersoonstafel naast het raam en daar, met een glas speciaalbier onder handbereik,  in je eentje een blog mogen schrijven. Wellicht denkt zij er anders over.

Als het tijd is om te gaan verlaat ik de kroeg. Het vaste meisje groet me. Ik fiets langs de grachten, miniatuuruitvoeringen van de waterlopen die we in Amsterdam en Haarlem zien, naar de herberg net achter de stadsring. Een herberg waar veel oost-Europeanen verblijven. Als ik mijn fiets tegen de wand van de buren parkeer arriveert de pensioneigenaaar. Ali. Hij kijkt me loensend aan. “Heb je voldoende licht?”vraagt hij in mijn richting en ik antwoord hem: “Alles goed. Jammer dat je geen stalling hebt, ik heb geen fietsstandaard.” Hij loopt hoofdschuddend met de zojuist op de markt aangeschafte vis naar binnen en laat me verder worstelen met mijn fiets. En voordat ik het weet klinkt het nummer weerom. Good Vibrations.

 

Posted in Uncategorized, jazz, music | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

In de wachtkamer

img_0119Zaterdagmiddag 17.00 uur. Rookruimte Café  onder De Linde, Amersfoort. De ruimte is leeg, wat op zich vreemd is, want buiten slaat de koude winterregen op het trottoir en het plein achter de kerk (onder de linden). Er wordt dus amper gerookt in dit café, want binnen is het redelijk druk.  Het is alsof ik in een historische wachtkamer zit waar de rook van de overleden wachtenden is blijven hangen.

Delen van het oude centrum van Amersfoort doen Vlaams aan. Middeleeuwse markten rondom gothische kerktorens, gestileerde stadswallen en -grachten beschermen de oude nederzetting voor de kwelgeest van de vooruitgang. Net als in Brugge draait het hier om friet en bier.  Maar het zou ook kunnen zijn dat alle steden in de Lage Landen, waar het monster van de oorlog en zijn strijdmakker, de stadsvernieuwing, geen diepe wonden hebben achtergelaten, op elkaar lijken.

Eindelijk loopt er een donkerblonde, kortgeknipte mevrouw met een streng gezicht, druk bellend, de rookruimte in. Het zal u niet verbazen dat ze Vlaams spreekt. Ze heeft geen sigaret in de hand. Waarschijnlijk wil ze de ruimte gebruiken om ongestoord te kunnen bellen. Van mij heeft ze geen last. Ik weiger haar af te luisteren. Ik heb een koptelefoon op het hoofd en ik luister naar het nieuwe album van Brad Mehldau en Chris Thile. Ze ziet me niet zitten. Ze is te druk met haar gesprek bezig. Het gesprek wil niet vlotten. De vrouw loopt de ruimte weer uit. Het is alsof ze me nog steeds niet heeft gezien. Een minuut later komt ze weer terug. Ze gaat aan een tafel zitten. Ze heeft nu wel een sigaret in de hand en haar telefoon ligt op tafel. Ze kijkt langs me heen. Dan gaat haar mobiel. Ze neemt hem op en vervolgt haar gesprek. Nu moet ik toch luisteren. Ze spreekt over een verdwenen voorwerp. Haar gesprekspartner werkt niet mee en de vrouw maakt hoekige gebaren in de lucht. Ik heb medelijden met de persoon aan de andere kant van de lijn. Ze zijn het niet met elkaar eens. De vrouw beëindigt het gesprek en loopt met een rood hoofd de ruimte weer uit.

Ik kijk naar buiten. De schemering heeft de lichtgrijze hemel ingeruild voor een donkerblauwe. Het felgele straatlantaarnlicht weerkaatst op de natte straattegels, en zet de paraplu’s en de felgekleurde capuchons van de voorbijgangers korte tijd in de etalage. Een mollige jongen met dun haar en een slordige baard komt de ruimte in. Hij ziet dat ik op mijn ipad aan het werk ben en nestelt zich bescheiden met zijn kelk en sigaret aan de tafel aan een wand die volgeplakt is met bierviltjes. Kort na hem komt er een langblondharige mevrouw van een jaar of vijftig met een zalmroze jurk binnen. De jongen en de moeder beginnen met elkaar te praten. Ze vinden elkaar in een gesprek, maar zijn, getuige hun blikken in mijn richting, toch ook verlegen om mijn aandacht. De vrouw lijkt iets tegen me te willen zeggen. Ik schuif mijn koptelefoon van het hoofd. “Weet jij dat? Wanneer het roken hier in Nederland uit de cafés verbannen is? “, vraagt ze me in keurig Nederlands. Ik weet het werkelijk niet en schat in dat het zo’n zes jaar geleden is. De jonge baardman neemt het gesprek over “Ja,  bij ons in Vlaanderen zal het ook rond die tijd zijn geweest. Eerst werden de uitbaters verplicht om dure installaties aan te schaffen, vervolgens moesten er scheidingswanden worden aangebracht en na twee jaar kwam er toch nog een algeheel verbod. Er zijn er al veel aan failliet gegaan.”. Ik plaats mijn koptelefoon op mijn hoofd om aan te geven dat ik weer aan het werk wil. Zodra ik me buiten het gesprek plaats taaien de twee af.

Het mooie van contact in een plaats waar je voor het eerst bent is dat je ermee kunt doen wat je wil. Een jaar of wat geleden zou ik me gedwongen gevoeld hebben om het gesprek op gang te houden. Maar dat is niet meer nodig. Mensen praten toch wel.

Na een uur Onder De Linden houd ik het voor gezien. Ik heb vandaag gratis meegerookt in de meest stille ruimte van een gezellig café. Maar het is tijd om te gaan. Ik ben moe na mijn 70 kilometers tellende fietstocht vanuit Haarlem. Ik wandel op goed geluk het stadshart van Amersfoort door, een stadspoort door. Gewoontegetrouw loop ik de verkeerde kant uit, de stadsring op. Na een minuut of vijf kijk ik op mijn mobiel op Google Maps. Ik loop al vijf minuten in de verkeerde richting. Zeven minuten later ben ik waar ik moet zijn, een drie verdiepingen tellend herenhuis uit 1902. Mijn fiets staat netjes onder een afdakje. De eigenaresse kijkt tv in de woonkamer. Ik loop stilletjes twee met roodgekleurd tapijt bedekte trappen op naar mijn  bescheiden zolderlogeerkamer een ruimte van 3 bij 2 met uitzicht op de huiskamer van de overburen en de overburen daaronder. In beide kamers zijn dappere huisvaders aan het werk. In de kamer op de eerste verdieping, aan de buitenwereld ontsloten via een erker met solide raamwerk en bovenaan glas in lood, soldeert een jongeman in een lichtblauwe sweater, aan iets wat mogelijk een racebaan is. Een verdieping boven hem ligt een jongeling op zijn canapé onder een Ikea schemerlamp. Hij doet iets met een mobiele telefoon. Hij heeft zijn benen over elkaar gekruisd en toont me zijn kousen voeten. Welkom in het gordijnloze Nederland. De kinderen van beide jonge vaders zijn waarschijnlijk net naar bed. Mogelijk is de man van de tweede verdieping een vader in wording.

Ach, wat weet ik wel? Ik verblijf, God mag weten waarom, in Amersfoort in een kamer. Morgen ben ik weer terug in Haarlem.

 

 

Posted in music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Het kind zit pas net!

img_0243Op de vrijdagochtend fietsen we, het samengestelde gezin, over de Zomerkade. Daar staat, zoals u gisteren heeft kunnen lezen, de markt.We wurmen ons, samen met de overige ouders met kinderen uit onze straat, tussen de marktkramen door totdat het ongeremde autoverkeer op de Nachtzaamstraat ons ophoudt. Als Mies mee is groet ze alle marktkooplui die hun waar uitpakken en in de etalage plaatsen. De een reageert enthousiaster dan de ander. De ene week reageert de een enthousiast, de andere week de ander. De Volendamse visboer reageert meestal wel vrolijk. Hij weet dat we een halve dag met onze fiets aan de hand terugkomen om een pond kibbeling te kopen. Wat hij niet weet is, dat we ook terugkomen als hij ‘s ochtends minder vrolijk groet. De kwaliteit van de kibbeling is van hoog niveau. Bovendien staat hij op een strategisch punt. Een geweldige plek om de markt en het gebeuren rondom te observeren.

Vandaag staat er een man met zijn scootmobiel. Een zestiger met rode konen, ongewassen grijze manen en scheve, azuurblauw gekleurde ogen.  Hij zit er op zijn gemak, alsof hij in de kroeg aan de bar hangt. Hij straalt een bepaalde gemoedelijkheid uit, als u begrijpt wat ik bedoel. De Volendammer baas achter de toonbank reikt hem een flink gezouten haring aan. “Wat krijg je van me?” Vraagt de klant. “Zes euro vijftig”, liegt de eigenaar. De smulpaap heeft inmiddels een pond kibbeling en  een lekkerbek achter de kiezen. “Ahjoh, ik geef je er acht om van het gezeik af te zijn.”, reageert de vaste klant. De man zit vastgeklonken in zijn kar en is op zoek naar zijn portemonnee. Ik kijk om me heen. De kinderen, waar ik de bestelling voor heb geplaatst, zijn inmiddels verdwenen. Naast me staat een Peruaan met zijn koopwaar. In felle kleuren gebreide poeven, onderzetters en handwarmers. Hij lult wat met de man naast hem. Een koopman met schaars zwart haar dat in verdwaalde plukken over zijn verbolgen schedel geplakt is, gespecialiseerd in Turks brood met knoflooksaus, reageert. Ik kan hem niet verstaan. Een collegamarktkoopman die naar zijn auto verderop loopt om wat koopwaar op te halen zegt: “Let niet op hen. Ze spreken toch nooit de waarheid!”, hij kijkt me knipogend aan. Ik knipoog plichtmatig terug en neem de bestelling in ontvangst. Als ik de broodbakkerskar ben gepasseerd stap ik weer op de fiets. Snel naar huis. Anders wordt de kibbeling koud.

 

 

Posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Draadjesvlees op donderdag

img_0118Woensdagochtend half acht. Een uur voordat de fietsers elkaar  in de ochtendspits naar het leven staan komt de stad tot leven. Onder andere op het Haarlemmerplein. De houten skeletten van marktkramen ontwaken uit hun opgestapelde staat zoals het vergeten voorjaarsgoed in een verwaarloosd grasperk tussen twee snelwegen. Je hoeft je maar even om te draaien en het is er! Het leven. En dat verbaast je, paradoxaal gezien, steeds meer naarmate je ouder wordt.

De markt. Ik fiets er graag voorbij. Ik blijf er graag even stil staan. Op vrijdag als ik over de kaai fiets, als ik de kinderen naar school breng of weer afhaal. Als ik de markt zie, ruik ik het weekend. Woensdag is voor mij de dag dat ik over de helft ben. Vrijdag is de eerste dag van het einde van de week.

Hoe anders is een donderdag. Ik weet niet wie deze dag heeft bedacht. Ik was het in ieder geval niet. Donderdag is een dag voor doorzetters. Er is -voor zover mij bekend- nergens markt. De meeste mensen die ik ken moeten de dag erna nog werken. Er is dus geen sprake van gedeelde vreugde. Het verkeer jaagt over de provinciale wegen en de A1 tot de A- zoveel alsof het einde nabij is. Aangezien dat voor mij niet het geval is fiets ik extra behoedzaam over de kruispunten en de parallelweggetjes. Getuige dit blog heb ik het vandaag ook weer gered.

Donderdag? Een overleg zonder begin of eind. Maar ik probeer iedere dag iets nieuws. Ik heb ze allemaal gegroet, de mensen die ik niet ken. En volgens mij vonden ze het nog leuk ook.

Mijn hoofd zit vol met gedachten als ik de fietshellingbaan van het pand waar ik kantoor houd bedwing. Ik verlaat via het Oost- poortstation de stadsdeelgrens richting centrum. Een bejaarde  gesluierde mevrouw in een scootmobiel draait haar vervoersmiddel vlug aan de kant als ze mijn ingesmeerde kettingen en getergde adem hoort. Een onsympathiek ogende man op een nauwelijks opgeladen elektrische fiets volgt haar voorbeeld. Ik rijd langs Artis. Langs de Roeter, het Weesperplein, het Weteringcircuit. Onderdoor Rijksmuseum, direct naar rechts en  flux naar links de Paulus Potterstraat, Willemsparkweg en de Koninginneweg door richting Zeilweg en Zeilbrug.  En vervolgens snel weg door al die rechte lange wegen (Pieter Calandlaan) die naar de stadsgrens leiden. Afgelopen week is er nog een jongeling om zeep gebracht. Een gebeurtenis  waar heel crimescene-minnend Nederland over heeft geschreven. Een walgelijke aangelegenheid.

Ik fiets verder. Badhoevedorp dorp. Een stoplicht staat eeuwig op rood. Een meisje en een jongen, vermoedelijk haar vriend,  op een scooter voor me rijden, na lang twijfelen, door. Ik fiets ze achterna als het licht eindelijk op groen staat. Het avontuur en ik zijn elk in een ander gesternte geboren.

Wat volgt is de Haarlemmermeer. Nicolaas Beets heeft er nog geestdriftig over geschreven, even voor de demping. Het was ooit een meer en vervolgens is het gedempt. Nu staat het bekend als het vlakke land. Ik fiets en zie plots vliegtuig na vliegtuig aan de horizon. Een drietal schijnwerpers naast elkaar landt langs de -in tegengestelde richting- gedempte landingsbaanlichten. Als ik op de trappers sta vraag ik me af  wie en wat hier landt. Zijn het de hemelbestormers? De zakenlui? De gelukszoekers? En, zoja, hoeveel zijn het er? De hemelbestormers leer ik ongetwijfeld kennen. De gelukszoeker idem dito. Maar de zakenlui? Dat volk laat ik het liefst links liggen. Ik fiets snel verder. Drie kilometer verderop ligt de supermarkt.

 

Posted in jazz, music, Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

De wil tot destructie en de wereld als kweekvijver van het onmogelijke

img_0115Minder opmerkzame mensen hebben me, n.a.v. berichten op dit nepforum, genaamd Facebook, gemeld dat het slecht met mij gaat. En dat geeft niet. Want een wereld zonder minder opmerkzame mensen is ook geen reet aan. En ik laaf me aan het kampvuur van hun zorgzaamheid. Ik wentel me in hun aandacht. Ik accepteer dagelijks een stuk of tien vriendschapsverzoeken van mensen die ik nog niet ken. Sommigen zijn amper meerderjarig en dragen slechts een bikini of nog minder aan het fraai gevormde lijf. Het zal wel ergens goed voor zijn. Ik geloof dat FB een vriendschapslimiet stelt bij 5000. Een virtuele muur tussen net haalbaar en onmogelijk. Wat mij betreft gaat Zuckerberg sowieso te ver en is elke grens onacceptabel. Potentiële vrienden zou ik in het dagelijkse leven niet eens aan durven kijken. Minder opmerkzame mensen zouden hierin het bewijs kunnen zien dat ik last heb van faalangst.

De laatste nieuwjaarsreceptie van Haarlem vindt traditioneel plaats in de Pletterij. Cultureel centrum, vrijplaats, podium voor debat en improvisatie. U kent het wel. Een geweldige plek voor alles wat nog niet is ingekaderd. Het warme nest voor de kanslozen en -armen, de verworpen elite, de  hemelbestormers, de dromers, de om- en dwarsdenkers, vrijstaat van de kwetsbare ziel. Sjaal en zijn Zil en Bo zijn er ook.

We zijn er stipt om 16:00 uur. Dat tijdstip stond immers op de uitnodiging. Bo houdt de tijd goed in de gaten en zorgt ervoor dat we geen minuut te laat aan de hoofdingang aan de Vest arriveren. Collega’s van de PR-afdeling staan aan de deur met consumptiemuntjes. “Sjaal, ben je er nu al?” zegt een van hen. Ik knik en kijk snel naar beneden (zoals te doen gebruikelijk). De kinderen nemen het voor me op en geven de twee dames een hand en ze stellen zich netjes voor. Ik krijg twee muntjes, de kinderen elk een. We lopen de vrijwel lege zaal in. Een donkere bar, een  stemmig verlichte ruimte met een schaars verlicht podium, aan de rechterzijde een kwetsbaar schemerlampje, een fel gekleurd spreekgestoelte in het midden, en een afgeragde  piano aan de linkerkant. Ik heb een entre-nous met de directeur, de technicien en de man achter de bar. De kinderen lopen doelloos rond. Zij komen voornamelijk voor de burgemeester. Hij zal even later de openingstoespraak houden.

De zaal stroomt vol. Ik maak kennis met geïnteresseerden, vrijwilligers en gelukzoekers. Mensen drukken mij de hand (waarschijnlijk omdat ik, formeel gekleed in blazer, dicht bij de ingang sta) en wensen mij het beste. Ik wens ze van hetzelfde. Ook Jaap Pop, de oud-burgemeester komt langs. Als hij ons is gepasseerd fluister ik de kinderen toe dat de kop op de klok boven het millenniummonument naast het oude V&D gebouw van hem is. Een icoon. De kinderen knikken instemmend en als de directeur me vraagt om enkele folders uit te delen voor het concert van aanstaande zondag grist Zil ze uit mijn hand. Ze sprint regelrecht op de oud-burgemeester af en drukt hem  een exemplaar toe. Die is binnen! Ook de andere folders gaan grif van de hand. Ik sta als een sul aan de kant en kijk toe hoe de kinderen het aan mij toebedeelde werk doen.  Een bruin jongetje met donkere ongekamde krullen, genaamd Miguel, loopt met de kinderen mee. Hij daagt ze uit en treitert ze naar tevredenheid van zijn slachtoffers. Een receptie moet voor alle bezoekers interessant blijven.

De huidige burgemeester komt binnen als de sprekers, de directeur en de voorzitter,  net zijn uitgeluld. Een man met strak wit overhemd over de volle pens en een stijlvol zwart jasje aan, een kogelrond montuur op de nieuwsgierige neus, betreedt het podium. Een man met een missie. Dat kunnen we zo wel zien. In enkele minuten bewijst de burgervader zijn bestaansrecht met een nietszeggende rede. Ik benijd de kinderen, die op het podium zitten, niet. Na zijn toespraak is het publiek alweer met andere zaken bezig. Ik praat met een mevrouw van 83 over haar pleinvrees. In mijn ooghoek zie ik dat Zilla een selfie maakt met de burgemeester. Even later doet haar broer hetzelfde. De technicien maakt er een foto van. Ik maak me los van de 83-jarige en vraag de technicien of hij me de foto wil toezenden. Uiteraard wil hij dat.

Ik spreek verlegen met het nieuwe blondharige meisje van de PR-commissie en wordt telkens weer door Bo en Zil tot de orde geroepen. Het is namelijk zes uur geweest en het is tijd om te gaan. Tijd om pannenkoeken te eten. Het meisje citeert enkele recepten. Ik knik haar verontschuldigend toe als ik door Zilla aan de arm naar de garderobe wordt getrokken.  Het is tijd om te gaan. Ik leeg mijn glas, gevuld met de IPA, genaamd “Mooie Nel”. De mensen die ik wil groeten zijn inmiddels elders. We lopen anoniem door de hal en de voordeur en openen onze fietssloten. “Iemand nog ijs?” roep ik, zonder een antwoord af te wachten. Zowel de supermarkt als de verlossing zijn nabij.

 

Posted in Persoonlijk, persoonlijk | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Sjaal leest door: Canetti

img_0114Even wat anders. Laten we het over boeken hebben.
Dikke boeken met name.
De Gebroeders Karamazov van Dostojevski is een van de weinige kloeke boeken die ik heb uitgelezen. Ik was begin twintig. We waren op Terschelling of Ameland. En ik zag het boek, een aantrekkelijk geprijsde pocketuitgave, in een draaibaar rek en ik heb het gekocht. Ik nam het mee naar bed en las door totdat ik het uit had. Dat kon toen nog. Ik werd niet gehinderd door mail, Facebook, Whatsapp of andere digitale stoorzenders.
Ik heb sinds het uitlezen van dit boek de neiging dikke boeken aan te schaffen. Vuistdikke drukwerken. Hoe meer tekst hoe beter. Behalve De Gebroeders en Anna Karenina heb ik er weinig van uitgelezen. Van sommigen heb ik slechts de eerste pagina’s gelezen. Verzameld werk. Daar ben ik ook tuk op. Kafka, Bomans, Reve, Elsschot, Vestdijk, Couperus. Het liefst in dundruk. En vanaf het moment dat ik de kringloopzaak heb ontdekt is het aantal aankopen exponentieel toegenomen. En dan is er nog het Waterlooplein, waar ik vanwege mijn weifelachtigheid de complete briefwisseling (in dundruk) tussen Du Perron en Ter Braak, het voorlopig verzameld werk van Hofland en een twintigtal jaargangen van prominente jazztijdschriften aan mijn neus voorbij heb zien gaan.
Maar ondanks genoemde tegenslagen is mijn boekenkast nog steeds goed gevuld met ongelezen werk waar ik de aankomende honderd jaar zoet mee zal zijn.
Om te voorkomen dat de meeste letters ongelezen blijven heb ik besloten om een opruiming te houden. Ik pak wekelijks een boek uit de kast en beoordeel of ik er wat aan heb of niet. En ik pak er een willekeurig hoofdstuk uit. Wat me niet bevalt komt in mijn boekwinkeltje terecht, genaamd
“Sjaal in boeken”.

Het eerste werk dat ik hier wens te presenteren is, hoe toepasselijk, Het Martyrium, ook bekend als Die Blendung, van Elias Canetti, in een vertaling van Jacques Hamelink.

Een pocketuitgave. Ambo, uit Baarn. 1985. Een vanwege de donkere kleur amper nog oranje te noemen, met de naam van de uitgever in nog donkerder oranje, gedrukte kaft met de titel in gebroken wit aan de bovenzijde.
Het boek is geschreven in het begin van de jaren dertig en verscheen in 1935 en gaat over een bibliofiel, genaamd Kien.

Om Kien te leren kennen citeer ik u uit het eerste hoofdstuk (zowel in de ik als de hij-vorm): “Hij ging uit wandelen om de lucht van vreemde boeken op te snuiven, ze prikkelden hem tot verzet, ze stimuleerden hem. In de bibliotheek ging alles van een leien dakje.” “Zich te verliezen in gepraat is het grootste gevaar dat een geleerde bedreigt.” “Persoonlijk ging hij met niemand om. Uitnodigingen sloeg hij af. Waar ook maar een leerstoel voor oosterse filologie vacant raakte, bood men hem die allereerst aan hem aan. Hij weigerde met minachtende beleefdheid.”, “Hij kon zich niet herinneren dat zijn geheugen ooit gefaald had.”, “In de Mutstrasse kwam ik iemand tegen die mij vroeg waar hij de Mutstrasse kon vinden. Om hem niet in verlegenheid te brengen, zweeg ik.” , “Kien zwoer bij zichzelf dat hij, zo gauw blindheid hem bedreigde, een eind aan zijn leven zou maken.”, “In zijn bibliotheek zou zelfs een olifant niet bij machte geweest zijn om lawaai uit de vloer te stampen. Daarom hechtte hij grote waarde aan zijn tapijten.”
En deze Kien staat garant voor monologen, dialogen, gestileerde teksten, ondergebracht in (door mij ongelezen) hoofdstukken genaamd “De dood”, “Judas en zijn Heiland”, “De zevende hemel”, “De vervulling”, De goede vader” en “De rode haan”. Wat wil een geoefende lezer nog meer?
“Hij teert op de kleine triomfen van het ogenblik. Dat is nou de beroemde man, die door de wereld zo bewonderd wordt.” (Uit: Een krankzinnigengesticht).
Moet ik dit meesterwerk van de hand doen? Nee. Ik zal er enkele avonden voor uit moeten trekken, maar ik ga er mee aan de slag. Dat beloof ik u.

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , , | 3 Comments