Ook Mirosjabin zat gisteravond laat in tranen achter de buis. Na een zorgwekkende reportage over ontwakende vulkanen uit het ons zo geliefde Napoli werd de televisie-avond verzwaard met een extra journaal over de vondst van de twee broertjes (een ieder van u die het nieuws enigszins heeft bijgehouden hoef ik niets uit te leggen, de rest ziet de krantenkoppen van de afgelopen dagen er maar op na).
Eerste Pinksterdag kwam maar moeizaam op gang (we stonden rond 13:00 uur naast ons bed). Begin van de middag verloren Mies en ik ons in nuttige en noodzakelijke zaken. Zij smeerde behang op de muur in het kinderkamertje dat er al een jaar lang uitziet als een uitgewoonde binnenkast. Ik nam een verdieping lager plaats op de bank en zette een CD’tje op dat al ik te lang niet meer heb gehoord; Lieder und Balladen, vol. 1, Carl Loewe (1796-1869), uitgevoerd door Andreas Schmidt (bariton) en Cord Garben (piano) in 1994 uitgebracht op het label Classic Produktion Osnabrück en onder het genot van deze koene klanken deed ik me tegoed aan een der geïnspireerde scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel. Een vrijheid die ik mezelf niet kan permitteren op een doordeweekse, door kindergejammer en televisiegeschal gedomineerde, avond.
De dag was in een mum van tijd voorbij en eindigde zogezegd met de tijding over de moord op twee pre-tieners. Een moord op eigen vlees en bloed, die in mijn optiek niet kan worden weggemoffeld als een wanhoopsdaad. Ik beschouw het als een nauwkeurig beraamde narcistische moord. De narcist deinst nergens voor terug. En helaas lopen er nog heel veel van rond. Wie moeiteloos een auto kan verkopen kan per definitie worden verdacht van narcisme. Lees mij niet verkeerd, ik ben gek op temperamentvolle mensen. Mensen, echter die hun temperament enkel in het eigenbelang aanwenden, zijn in potentie gevaarlijk. Men zou hen preventief op moeten sluiten. De onkosten kunnen we moeiteloos betalen met het geld dat vrijkomt na het massa-ontslag van de overbodige medewerkers van bureau Jeugdzorg en soortgelijke instanties.
De tweede Pinksterdag is inmiddels ver over de helft. Na een bliksembezoek aan het Frans Halsmuseum lig ik weer op de bank. Van Deyssel heeft plaatsgemaakt voor de take-away- essays van Martin van Amerongen. Ik lees een stukje over het afscheid van Max vd Berg als voorzitter van de PvdA (1986) en de wijze waarop dit partijvoorzitterschap in 1979 tot stand kwam, namelijk na een zinderende strijd met de gevestigde orde, in persoon van toenmalig staatssecretaris van CRM, Wim Meijer. Zijn naam (die van Meijer) viel gisteren ook in het programma Buitenhof. Een door Pieter Jan Hagens aangehaald citaat van Meijer uit 1983 bracht de VVD- fractievoorzitter Halbe Zijlstra aan het wankelen. Na een met drogredenen doorspekt neo-conservatief betoog werd Zijlstra van tafel gemanoeuvreerd met een 30-jaar oude uitspraak (een pleit voor soberheid, zie: Uitzending gemist) van een sociaal-democratische pragmaticus.
Even verderop een artikel over de herbegrafenis van Jean-Paul Sartre en zijn grote voorliefde voor het werk van de nationaal-socialist Martin Heidegger. ”Wat is de trait d’union tussen Heideggers kleinburgerlijke onderkomen in Todtnauberg en Sartre’s antiburgerlijke exercities aan de stamtafel in café La Coupole? Het is toch al te dwaas dat geen mens tot dusverre ook maar een aanzet tot de beantwoording van deze vraag heeft gegeven?” Deze (zoveelste) zondagmiddag in mei kabbelt lekker door. De muziek van Carl Loewe heeft inmiddels plaats gemaakt voor de pretentieloze zaterdagnachtmuziek van de (voor de tweede keer in zijn leven) door polio getroffen bassist Charlie Haden. Misja loopt onrustig door de woonkamer. Ze hanteert de stofzuiger, ze verplaatst het speelgoed, ze vouwt het wasgoed en vervolgens slaat ze weer aan het stofzuigen. Ik sla haar intens tevreden gade. Ik vergeef haar de verstoring van mijn zondagmiddagrust (en ik verheug me op het dampende avondmaal dat ze me over een half uur gaat serveren). Ik ben gek op temperamentvolle mensen. Zolang ze maar niet alleen aan zichzelf denken.

Om 17:00 uur reed Mirosjabin richting de pizzeria die ons gisteren door een vriendin is aanbevolen. Een slechte verlichte, maar goed verwarmde, huiskamer, gevuld met Meditterane, in gips gegoten, bustes. Op het moment dat we arriveerden telde de ruimte meer personeel dan gasten. Een man op leeftijd met slappe koksmuts, twee tienermeisjes met haar in de staart en in witte blouse en zwarte broek, een kalende gerant en een gladde Napolitaanse aal achter de bar. De pizzeria, gevestigd in een hoekpand, bood uitzicht op een ander hoekpand waarin een Shoarmazaak, genaamd “Mama” (zelfde eigenaar als de pizzeria, aldus onze vriendin), was gevestigd. Daar zagen we mannen met een fles bier in de hand. Een brede pitbullman met een roze Nickelsonshirt om zijn gespierde torso, die ik herkende als vader van een klasgenootje van een van mijn kinderen, liep af en aan de straat over met warme gerechten. Een familie met een problematisch eetpatroon (maar dat bleek pas later) stapte de pizzeria in. Na een koele groet onzerzijds nam het gezelschap plaats en bestelde bij de kale alle gerechten die op de kaart ontbraken. Na het nuttigen van een overheerlijke pizza en een geelgekleurd afzakkertje namen we de wijk richting supermarkt. De slapgemutste nepkok hees Misja in haar bontjas terwijl ik mij in mijn azuurblauwe winterjas hees. In de supermarkt bleven we lang hangen achter de tijdschriften. Playboy, Mijn Geheim, Linda, L’Homo, we konden er geen genoeg van krijgen. Plotseling kwam ook de roze pitbull binnen. Ik tikte Misja aan. Zij keek hem recht in het agressieve smoelwerk en ze werd er bang van. Gelukkig liep hij snel naar de kassa. Toen hij vertrokken was liepen we opgelucht naar de kassa en rekenden we af.




